XI  Extra Intelligentie

Een compilatie wetenschappelijke onderzoeken verzameld door Mark Groot Kormelink ©®

Xi biedt ander perspectief

De standaard hoogintelligente mens bestaat niet, net zo min als de standaard mens. Ze hebben ook lang niet altijd een academische titel, net zo min als een academicus meestal hoogintelligent zal zijn.

Er bestaan uiteenlopende overtuigingen over de waarde van het begrip IQ, en hoe je IQ meet. Naar onze overtuiging meet een IQ-test niet alleen IQ, maar ook je vermogen om zo'n test af te leggen. Uit eigen ervaring weten wij dat extra intelligente mensen de test niet altijd succesvol afleggen. Ze falen bijvoorbeeld in een volle examenzaal, maar kunnen het onder andere omstandigheden opeens wel.

Daarnaast laat Gardner via zijn concept meervoudige intelligenties zien dat er verschillende soorten intelligentie bestaan, terwijl maar enkele soorten via de IQ-test worden gemeten.

Onze keuze voor de term 'extra intelligentie' oftewel Xi, biedt de ruimte om je te herkennen in de karakteristieke kwaliteiten, zoals wij die in de praktijk zijn tegengekomen. Vanuit die herkenning kan je op zoek gaan naar je eigen patronen hoe je met je extra intelligentie omgaat in heden, verleden en toekomst.

Hoe herken je Xi?

Er zijn vijf karakteristieke kwaliteiten van een Xi-er:

1. Intellectueel vaardig, kan niet tegen onbegrijpelijke stupiditeiten.

Kan  makkelijk complexe problemen hanteren, maar legt ze te compact aan anderen uit, vaak zonder zich dit bewust te zijn. Reageert niet effectief op onbegrip. 

2. Structureel nieuwsgierig, grenzeloze hekel aan dat wat saai of routineus is.

Wil altijd weten wat ergens achter zit. Stelt routine klusjes eindeloos uit of maakt er fouten in.

3. Behoefte aan autonomie, vecht of maakt zich klein als die wordt aangetast.

Kan goed zelfstandig werken. Een controle gerichte baas of klant leidt snel tot disfunctioneren.

4. Grenzeloos en mateloos in najagen interesses, moeite met loslaten daarvan of met

onbegrijpelijke ongeïnteresseerdheid.

Kan zich in een probleem vastbijten. Kan ook teveel energie in de verkeerde dingen stoppen.

5. Emotionele onzekerheid plus intellectuele zelfverzekerdheid, onhandig of kwetsbaar in de

confrontatie met harde zelfverzekerdheid of politiek machtsvertoon.

Kan  lijden aan faalangst. Is snel geneigd tot betweteren. 

Ben ik Xi?

Als je jezelf sterk in drie of meer van deze kwaliteiten herkent, is het aannemelijk dat je zelf extra  intelligent bent. Ook als je op school niet hoog presteerde, of mensen kent die nog intelligenter  zijn. 

Liever aanpassen? 

Xi-ers leren zichzelf al vroeg een manier om met hun kennelijk andersoortige omgeving te verkeren. Het zijn emotionele keuzes om meer of minder op te vallen. Velen concluderen al dan niet bewust dat ze beter niet als 'hoogintelligent', laat staan als 'hoogbegaafd' te boek kunnen staan. 

Zo komt een minderheid als vanzelf tot grote prestaties, verscheidenen kiezen voor onopvallendheid, en een derde groep vervreemdt sterk en komt tot nadrukkelijk slechte resultaten.

Toch geldt ook hier dat het bloed kruipt, waar het niet gaan kan .

Als zich veranderingen voordoen in de werk- of privé-situatie, of als de levensfase onrustig maakt, kunnen oude keuzes onder druk komen te staan en kan de ruimt

Voordelen van herkenning en verdieping

Extra intelligentie (Xi) is niet méér van iets wat iedereen heeft, maar een patroon van specifieke kwaliteiten. Door daar gericht aandacht aan te besteden worden die kwaliteiten effectief.

Als je weet dat je Xi bent, biedt dat een betere verklaring voor allerlei gebeurtenissen in je leven, dan de aanname dat je net zo normaal bent als willekeurige anderen.

Gaan piekeren als je iets maar niet begrijpt is normaal voor een Xi-er. Als je eenmaal begrijpt dat je Xi bent, hoef je je niet ook nog zorgen te maken over het piekeren zelf. En kan je nieuwe manieren ontwikkelen om er mee om te gaan

Bij meer over Xi gaan we vanuit verschillende kennisdomeinen dieper in op de effecten van Xi.

Wat is Xo?

Extra Ontvankelijkheid is van grote invloed op extra intelligente mensen.
Het is een aangeboren extra gevoeligheid van (delen van) het zenuwstelsel, waardoor zintuiglijke indrukken vaker, heftiger en langer effect hebben op de persoon.
Dat leidt tot een buitengewoon intense beleving van de werkelijkheid en een dito reactie daarop. 

De Pool Dabrowski onderscheidde vijf gebieden van Extra Ontvankelijkheid (door ons afgekort tot Xo) met hun karakteristieke aspecten: 

Psychomotorische Xo - een overmaat aan energie: behoefte aan veel beweging en sport, rusteloos, impulsieve acties, snel pratend, competitief, moeite met ontspannen.

Zintuiglijke Xo - genot via zintuiglijke prikkels en schoonheid: alle zintuigen staan op scherp, dus intens genieten of intense afkeer, gevoelig voor sterkere prikkels zoals fel licht, hard geluid, intense geuren, ruwe kleding of kledingmerkjes. Wordt geraakt door schoonheid. Heeft belang bij verkrijgen van positieve aandacht.

Xo van de Verbeelding - sterke verbeeldingskracht: creatief, innovatief, veel fantasie, groot gevoel voor humor, bijzondere dromer, beelddenker, vermengt soms werkelijkheid en fantasie.

Intellectuele Xo - leren en probleem oplossen: de reguliere associatie met hoogbegaafdheid, nieuwsgierig, goed in theorievorming, analyse en synthese, verzamelt kennis, is vaak bezig met morele vragen. 

Emotionele Xo - intense gevoelens: complexe emoties, stemming  kan  extreem variëren, diepe verbinding met mensen, dieren, voorwerpen, soms gehinderd door angsten, bewust van relaties en eigen rol, scherp rechtvaardigheidsgevoel.

Xo en Xi

Xi-ers hebben per definitie een hoge mate van Intellectuele Xo.
Dabrowski merkte al op dat begaafde mensen doorgaans op meer gebieden relatief extra ontvankelijk zijn. Bewustzijn op dit onderwerp helpt Xi-ers beter begrijpen waarom ze vaak als afwijkend worden gezien. Daarnaast biedt Dabrowski's theorie over persoonlijke groei vanuit extra ontvankelijkheid en innerlijk conflict een perspectief om de eigen betekenis in de wereld te vinden en om het gevoel van 'er niet bij horen' te overstijgen.
Extra Ontvankelijkheid is onze vertaling van het Engelse '
overexcitability', in het Nederlands vaak vertaald als 'overprikkelbaarheid'.

Meer over Xo in: 'Extra ontvankelijkheid in het gebruik', een verhaal uit onze praktijk.

Verwarrende verwachtingen

Karakteristiek voor een Xi-er is de behoefte aan complexiteit, en de mate waarin 'alle knoppen op 10 staan'. Bij een Xi-er, die niet weet dat hij/zij Xi is, treedt een voortdurende verwarring op door de confrontatie met een omgeving die de knoppen veel zachter heeft staan, en zaken liever simpel dan complex heeft. Door de grote intelligentie wordt die verwarring weer snel van logica voorzien, en het gedrag wat aangepast, maar het blijft een vreemde situatie.
Daarom is escalatie van de irritatie over die verwarring of dat gebrek aan aanpassing vaak de aanleiding om dieper te gaan graven naar de oorzaak ervan.

Dat lastige gezag

Vanwege hun grote behoefte aan autonomie hebben de meeste Xi-ers een moeizame relatie met gezag. Gekoppeld aan hun sterk ontwikkeld rechtvaardigheidsgevoel leidt de blootstelling aan politiek, autoritair of 'dom' gezag zeer snel tot protest of opstand. Omdat hun 'normale' omgeving die reactie als onnodig overdreven ervaart, blijven ze met de Zwarte Piet zitten.
Positiever geformuleerd, zijn zij door hun grote sensitiviteit vaak de eerste die de klok luiden over misstanden en daarmee tijdig aandacht mobiliseren om erger te voorkomen.

10 beroepen, 2 duurzame keuzes  
Een Xi-er heeft meer beroepskeuze mogelijkheden dan een gemiddeld intelligent mens. Hij/zij kan van alles leren en verschillende beroepen op een goed niveau uitoefenen. Voor een Xi-er is het daarom de kunst om uit die lange lijst het beroep te vinden dat aansluit bij wat hij/zij belangrijk vindt in het leven.
Meestal echter is nieuwsgierigheid de eerste drijfveer om te kiezen, met als gevolg dat als die nieuwsgierigheid is bevredigd, alle interesse en motivatie verdampt.
Soms worden banen op dezelfde wijze gekozen: de houdbaarheid is navenant. Na een aantal sprongen in korte tijd neemt de onrust en teleurstelling toe.
Bezinning op de eigen waarden geeft een anker om vanuit gevoel en eigen drijfveren te kiezen: het resultaat blijkt nog vele jaren de nieuwsgierigheid te kunnen prikkelen.

Snelle beelddenkers  
Xi-ers denken sneller en complexer dan gemiddeld
. Als zij ook relatief sterke beelddenker zijn, is hun creativiteit bijzonder groot, maar niet altijd in verhouding met hun vermogen om uit te leggen wat ze bedacht hebben.
Zonder kennis of besef van hun eigen bijzondere denkproces, merken ze slechts dat ze niet begrepen en niet serieus genomen worden.
Soms gaan ze nog meer hun best doen op de uitleg, met chaos bij hun gehoor als gevolg. Soms worden ze boos, verdrietig of rancuneus en dat is erg jammer.
Een beter besef van het supereffect van hun ongewone intelligentie plus hun denkstijl leidt tot een andere benadering van de uitleg en een meer ontspannen houding, met navenant effect op het resultaat.

Het zit (ook) in de familie
Omdat intelligentie in hoge mate erfelijk is, zijn ouders, kinderen, partner, broers, zussen, grootouders mogelijk even extra intelligent als de Xi-er, die aktief met het thema bezig is.
Toch ligt herkenning niet altijd voor de hand,

Moeder en vader  
Zeker in de vrouwelijke lijn van ouders blijken traditionele rolpatronen nog al eens effectief een ontplooiing van ongewone intelligentie te hebben geblokkeerd. Solidariteit met de eigen dynastieke lijn kan dan zelfs in het heden een fors obstakel zijn om de eigen intelligentie voluit in de wereld te zetten. Of, andersom, blijkt het zicht op moeder vertroebeld door haar rol, waardoor de talenten van haar kant als minder waardevol worden beschouwd.

En dan zijn er natuurlijk de talrijke Xi-vaders, die voor een schoolcarriëre niet in de wieg waren gelegd. Als beelddenker of handwerker gingen zij dus naar het beroepsonderwijs of de praktijk in. Daar klommen ze op tot meesterschap, zij het niet met bijbehorend maatschappelijk succes, of liepen vast in eendimensionale organisaties met dito bazen. Dit kunnen vaders zijn die thuis zwijgen. Of vaders met een drive om hun kinderen goed onderwijs te laten volgen, maar dat is vaak nog steeds net zo ongeschikt voor hun kinderen, als het voor hen was.

De familie schatkamer  
Op zoek naar de eigen identiteit, blijkt de eigen familie een schatkamer van bijzondere kwaliteiten, soms zichtbaar, soms nog niet, en een treffende referentie hoe lastig het kan zijn om je intelligenties in de wereld te zetten.

Beelddenken en talig denken  
Beelddenken is denken in een meerdimensionale associatieve structuur van 'beelden
'. Vaak is de structuur sterk visueel, vandaar de naam beelddenken. Bij veel Xi-ers zit er geluid bij, zoals bij videoclips, of gevoelsaspecten. Dan worden het brokstukken beleving of verbeelding.
Beelddenken is de denkwijze van onze intuïtie en onze creativiteit, en vindt vooral in de rechter hersenhelft plaats.

Talig denken is denken via een platte ketting van woorden en begrippen, geordend volgens een logische structuur. Het is de geaccepteerde vorm van wetenschappelijk redeneren, en vindt vooral in de linker hersenhelft plaats.

De talige school
Op veruit de meeste scholen wordt de stof sterk talig en sequentieel aangeboden. Voor extra intelligente beelddenkers met een sterk visueel-ruimtelijk denkvermogen kan dit leiden tot de structurele miskenning van hun intelligentie. Zij bereiken zelden of met grote moeite het hoger onderwijs en starten 'gedegradeerd' hun loopbaan. In de beroepspraktijk lopen ze dan tegen het probleem op dat ze op lage functies instromen en veel slimmer zijn dan bazen en collega's, die wel een (hogere) schoolopleiding hebben.  
Beelddenken kan samen gaan met enige vorm van dyslexie of dyscalculie. Door hun snelheid van denken kunnen Xi-ers dit behoorlijk maskeren, zodat er dus ook niets aan wordt gedaan. Daardoor presteren ze gemiddeld en blijft de ontplooïng van hun talent steken. Als de dyslexie /dyscalculie eenmaal is ontdekt en te verhelpen blijkt, ontstaan er nieuwe perspectieven voor talentontwikkeling.

Do not ask how smart you are:
Ask how you are smart.
Do not ask how motivated you are:
Ask how you are motivated.

Howard Gardner

Het concept van de Meervoudige Intelligentie is ontwikkeld door de Amerikaan Howard Gardner. Intelligentie is, volgens Gardner , de bekwaamheid om informatie te verwerken, en daarmee problemen op te lossen, vragen op te roepen, of iets te vervaardigen dat waarde heeft voor de omgeving.

Acht intelligenties  
Ieder mens, dus ook de Xi-er, heeft tenminste acht verschillende intelligenties beschikbaar waarmee hij zijn talenten ontplooid. Gardner heeft ze genoemd: verbaal-linguïstisch, logisch-mathematisch, visueel-ruimtelijk, muzikaal-ritmisch, lichamelijk-kinestetisch, naturalistisch, interpersoonlijk en intrapersoonlijk.

Hoe leer je?  
Hoe gebruik je je intelligenties? Welke voorkeuren heb je bijvoorbeeld bij het leren?
De uitdaging voor veel Xi-ers is het contact herstellen met hun vermogen tot excellentie. Wat zijn voor jou optimale omstandigheden om je intelligenties uit te leven?
Vaak blijkt dat niet de schoolse leeromgeving te zijn, terwijl je jaren is voorgehouden dat je via school tot excellentie komt.

Uitspraken over leren en intelligenties

Enkele voorbeelden van uitspraken, die wij te horen kregen van Xi-ers:

Inleiding  
Omdat Extra Intelligentie (Xi) nu eenmaal per definitie extra is, zal een Xi-er die zijn/haar eigen gang gaat altijd opvallen. Al op jonge leeftijd ontstaat er daardoor irritatie en onbegrip in de omgeving. Dit leidt tot meer of minder expliciete kritiek op het relatieve 'teveel' van wat dan ook. Er zijn patronen in die kritiek te herkennen, vanwege de typische eigenschappen van Xi-ers. Mary-Elaine Jacobsen noemt in haar boek "
the Gifted Adult" een top-10 verwijten die allemaal de bedoeling hebben om een Xi-er weer terug in andermans gareel te krijgen.

Voor veel Xi-ers is dat in de loop der jaren en door pijnlijke confrontaties ook zo gaan werken: als ze het verwijt horen, houden ze zich automatisch gedeisd. Want het zijn dooddoeners, die bij de aangesprokene een schuldgevoel oproepen. Soms ben je er inmiddels zelf ook van overtuigd dat de kritiek terecht is, en dat je je moet schamen. Vaak roept het een dof gevoel van beklemming en frustratie op.

Om die betovering te verbreken, staan hiernaast vier van de top 10 verwijten, met hun oorzaak en een alternatief weerwoord om ruimte voor je eigen aanpak te claimen.
Het is geen standaard ideaal weerwoord. Ook het genoemde schuldgevoel hoeft niet bij iedereen precies zo gevoeld te worden. Het gaat mij om het aangeven van de richting om het effect bewust te maken en om ruimte te creëren voor een andere reactie op het verwijt.

De toelichting is om praktische redenen beknopt gehouden. Gegeven je eigen situatie is over ieder punt in een persoonlijk gesprek veel meer te zeggen.

Relatie met Xi  
De vijf kenmerken van Xi zijn per stuk of in combinatie in de verwijten terug te vinden. Grenzeloosheid of intensiteit is bij veel verwijten een aspect. Men vindt Xi-ers al gauw 'te ...'. Feitelijk gezien is de constatering juist, dat het gedrag verder gaat dan normaal. Dat het 'te ...' is, wordt een waarde oordeel.

De levenskunst voor een Xi-er is om enerzijds zich bewust te zijn van de referenties van zijn/haar normale omgeving, anderzijds zichzelf de ruimte te verschaffen om volgens de eigen 'maatvoering' tot expressie en zelfverwerkelijking te komen.

De overige 6 verwijten  
De overige 6 verwijten staan in het genoemde boek van Mary-Elaine Jacobsen en in een handout die gebruikt wordt bij adviesgesprekken.

Verwijt, schuldgevoel, nieuw antwoord, toelichting

Verwijt nr.10: "Moet het allemaal zo snel?"
Schuldgevoel: "Ik ben weer te ongeduldig."
Nieuw antwoord: "Dit is mijn normale tempo."
Toelichting: Als Xi-er gaan je denkprocessen extra snel, met beelddenken supersnel. Anderen kunnen daardoor in verwarring raken en vrezen dat je iets ondoordachts zal gaan doen. Verre van dat: maar waarom tijd verspillen als het allemaal al duidelijk is? Er is nog zoveel interessants te beleven!

Verwijt nr. 9: " Kan
je je niet gewoon tot één richting beperken?"
Schuldgevoel: "Ik moet echt kiezen, anders komt er niets van mij terecht."
Nieuw antwoord: "Nee, dat werkt niet voor mij."
Toelichting: Men vindt dat je een beroepsrichting moet kiezen en in die richting moet doorgaan. Voor een Xi-er is dat zelden een manier om duurzaam plezier in het werk te houden. Door de snelheid van inzicht en overzicht en de voortdurende behoefte aan nieuwe prikkels, raakt een Xi-er na zekere tijd uitgekeken op een (deel van een) vakgebied en verliest motivatie en gevoel zinvol bezig te zijn.
Inderdaad kunnen daardoor breuken in een carrièrelijn met financiële gevolgen ontstaan, maar daar staat een groter en meer duurzaam gevoel van voldoening in het werk tegenover. Bovendien is het vaak een aanknopingspunt voor een vakgebied overstijgende en originele visie op een probleem- of onderzoeksveld.
Xi-ers zijn graag multidisciplinair.

Verwijt nr. 5: "Waar haal je het vandaan!?"
Schuldgevoel: "Ik heb een te grote fantasie, ik moet meer mijn mond houden."
Nieuw antwoord: "Gewoon een ingeving."
Toelichting: Samenhangend met hun grote sensitiviteit, hebben de meeste Xi-ers een uitstekende intuïtie. Alleen weten ze dat vaak niet meer: gezagsdragers vinden het meestal niet leuk, als je laat merken dat je weet wat ze denken. Xi-kinderen krijgen daar al vroeg last mee, en stoppen met het toelaten van hun intuïtie. Daarmee verlies je helaas ook een bron van inspiratie en motivatie. Het loont om als volwassene opnieuw contact met je intuïtie te maken en er op te leren vertrouwen, ook al blijft het mensen verbazen en soms irriteren.
Een andere "ingevingsbron" voor ideeën wordt gevormd door een vermogen tot
beelddenken. Soms is moeilijk te scheiden of het idee door beelddenken, of vanuit intuïtie is ontstaan.

Verwijt nr. 2: "Je bent altijd zo gedreven!"
Schuldgevoel: "Ik draaf kennelijk weer door, ik moet niet zo opgefokt doen."
Nieuw antwoord: "Dat klopt, ik heb mijn focus en nog een hoop te doen."
Toelichting: Het hoort bij de aard van de Xi-er om altijd urgentie te voelen bij datgene waar hun aandacht zich op richt. Het is een aspect van onze grenzeloosheid. Als we een missie hebben gevonden, richt de urgentie en motivatie zich daarop tot dat doel bereikt is. Zonder missie is de focus meer toevallig en bestaat zolang het onderwerp nog interessant is: Zeer intensief ergens mee bezig zijn, en zodra je weet wat je wilde weten, het onderwerp als een baksteen laten vallen. Dat kan andere mensen verbazen of ergeren, maar is voor Xi-ers normaal gedrag.

Willings (1980) heeft de problemen beschreven van creatieve volwassenen op de werkplek. Hun houding was niet zozeer "ik ben slimmer dan wie ook", maar eerder "waarom is iedereen zo dom?". Hoogbegaafden begrijpen niet waarom de wereld zo slecht is georganiseerd en zo inefficient wordt geleid. Dit onbegrip kan worden gekoppeld aan afwijzing door gelijken, meerderen of leraren; het onvermogen intellectueel niet-stimulerend werk te doen; perfectionisme; het jezelf te serieus nemen; het gevoel al vroeg mislukt te zijn in het leven; frustraties door procedures; gereserveerdheid, grilligheid of gebrek aan discipline; en het mislukken in banen waarin mensen met minder talenten succes hebben (Willings, 1980).  
Rationalist, een van de vier hoofdpersoonlijkheden. Statistisch is dat zo'n 5%. En een markant kenmerk van de Rationalist is zijn buitengewone hekel aan stomme fouten, van hemzelf of van anderen. Dat geeft nieuw perspectief op zijn ergernis. Die gaat er niet van over, maar na een toelichting over de andere temperamenten herkent Frans karakteristiek gedrag van andere collega's. "O, dus daarom......."

Bevredigende verklaringen geven rust

Het is een markant aspect van Xi-ers dat ze geweldig kunnen kauwen op iets wat ze maar niet begrijpen. Het laat ze niet met rust tot ze het wel hebben begrepen. De meeste mensen zijn veel eerder tot acceptatie bereid, of merken het niet (meer) op.

De slechte aansluiting tussen eigen en andermans verwachtingen blijft dus altijd storen, zolang er geen bevredigende verklaring voor is gevonden. De (h)erkenning van de eigen extra intelligentie blijkt zo'n verklaring te zijn. Daarna gaan er 'vele kwartjes vallen' over tal van gebeurtenissen uit het verleden, die opeens een stuk begrijpelijker zijn.
De door ons gebruikte instrumenten geven de cliënt een beter inzicht in de eigen positie en kwaliteiten, zodat hij/zij beter de eigen grenzen kent en onderhoudt.

1. probleemoplossende behendigheid: een hoogbegaafde redeneert logisch en juist, herkent het verband tussen ideeën, ziet alle aspecten van een probleem, heeft een open geest, antwoordt bedacht op de ideeën van anderen, weet situaties goed in te schatten, gaat naar de kern van de zaak, interpreteert informatie nauwkeurig, neemt goede beslissingen, gaat naar de originele bronnen voor basisinformatie, stelt problemen op een optimale wijze, is een goede bron voor ideeën, merkt impliciete onderstellingen en besluiten, luistert naar alle zijden van een argument en gaat vindingrijk om met problemen.

2. verbale bekwaamheid: hij spreekt duidelijk en gearticuleerd, is verbaal "vloeiend", is een goede gesprekspartner, is kundig in een particulier domein, studeert hard, leest met hoog begrip, leest over een ruim gebied, kan efficiënt met mensen om, schrijft zonder moeilijkheden, zet tijd apart voor het lezen, beschikt over een ruime woordenschat, aanvaardt sociale normen, en probeert soms nieuwe dingen uit.

3. sociale competentie: hij aanvaardt anderen zoals ze zijn, aanvaardt vergissingen, vertoont interesse voor de hele wereld, is tijdig voor zijn afspraken, heeft sociaal bewustzijn, denkt na vooraleer te spreken of te handelen, vertoont nieuwsgierigheid, maakt geen kapmesoordelen, is fair in het oordeel, beoordeelt juist de relevantie van de informatie die beschikbaar is over een probleem, is gevoelig voor de noden en verlangens van anderen, is oprecht en eerlijk tegenover zichzelf en tegenover anderen, en vertoont interesse voor zijn onmiddellijke omgeving.

EEN HOOFD VOL FILMS

Ouder van beelddenkers stuit op muur van onbegrip
De eerste jaren van het basisonderwijs heeft een beelddenker het dan ook beduidend moeilijker dan een taaldenker.Hij lijkt dyslectisch, dom en verward. Immers, taaldenken gaat met een snelheid van twee woorden per seconde beeld- denken met 32 plaatjes in dezelfde tijd. Een beelddenker denkt dus heel snel, struikelt over zijn woord en en lijk zich niet te kunnen concentreren. Ieder woord wat hij hoort roept een razendsnele reeks van associaties op en dat leidt hem heel erg af van het werk in de klas.” Levend bewijs van een verlaat succes na een moeizame jeugd is natuurlijk de astronaut Wubbo Ockels. Ooit, naar het schijnt, toch echt het domste jongetje van de klas: „Ik heb ontzettend veel baat bij mijn snelle associatieve vermogen. Ik weet niet eens precies hoe het werkt, maar daardoor zie ik heel snel verbanden.” Interim-manager Chris geeft toe dat het rondom de vergadertafel soms lastig is dat hij met zijn gedachten en conclusies al een stuk verder is dan de overige aanwezigen: „Maar ondertussen beschik ik wel over het vermogen onmiddellijk de vinger op de zere plek te leggen en een probleem in één middag op te lossen waar al weken lang door anderen mee wordt geworsteld.”
Zijn de diagnoses dyslexie en adhd inmiddels algemeen geaccepteerd, beelddenken wordt nog steeds gezien als een vaag begrip waar geen aparte behandeling van het kind in kwestie bij nodig is.

Howard Gardner, een Amerikaan die zich met neuropsychologie bezighoudt, heeft in 1983 een concept ontwikkeld voor het kijken naar intelligentie en de verschillende verschijningsvormen daarvan.
Gardner praat over het concept: 'meervoudige intelligentie'. Hij heeft een door Unesco gefinancierd onderzoek gedaan naar hoe mensen leren.
Het denken over hoe mensen leren heeft in de loop van de geschiedenis, sinds het begin van de 20-ste eeuw, een ontwikkeling doorgemaakt. In de jaren 30/40 ging men er van uit dat alles vast lag, en dus absoluut meetbaar is. In de jaren 60/70 komt er pas weer belangrijk beweging in het denken op dit gebied.
Gardner wil in kaart brengen hoe mensen leren. Hij deed dat destijds veel meer vanuit een sociologische invalshoek, en dus niet direct vanuit leerpsychologisch perspectief.
Zijn vertrekpunt lag dan ook in het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe
in een bepaalde cultuur waarden die van belang worden geacht overgedragen aan volgende generaties?
In het westen zijn we gewend om ons te richten op geschreven bronnen. Alles wat wij belangrijk vinden is in geschreven vorm vastgelegd en wordt ook zo overgedragen. En dat is al zo vanaf de uitvinding van de boekdrukkunst. Voor die tijd vallen we terug op andere bronnen als liederen, afbeeldingen, vondsten etc.
Er zijn ook culturen waar men zich meer richt op de niet-schrijvende cultuur, zoals: verhalen, liederen, muziek, of beweging.

Al doende komt Gardner terecht bij het begrip intelligentie. Hij stelt een definitie op voor dat begrip: intelligentie is de vaardigheid om problemen op te lossen
Maar ook: de vaardigheid om problemen te bedenken die oplosbaar zijn.

Het komt er op neer dat je begrip kunt verwerven om problemen op te lossen, maar ook dat je dat begrip kunt meenemen naar andere situaties en dat je het daar kunt toepassen en zonodig kunt optillen tot meer. Je kunt iets begrijpen en navertellen, maar óók op een andere manier navertellen.

Het is nu nodig om iets te zeggen over de verschillende manieren waarop er over intelligentie kan worden gedacht. Voor de verschillende takken van wetenschap geldt er een andere zienswijze in het denken over intelligentie. Verschillende definities.


       Howard Gardner onderscheidt 8 vormen van intelligentie.

      1. verbaal-linguïstische intelligentie

      2. logisch-mathematische intelligentie

      3. visueel ruimtelijke intelligentie

      4. tactiel-motorische intelligentie

      5. muzikale intelligentie

      6. naturalistisch-ecologische intelligentie

      7. interpersoonlijke intelligentie

      8. intrapersoonlijke intelligentie

We zien intelligentie als een set mogelijkheden en vaardigheden om controle en begrip te krijgen op de wereld. Maar ook als mogelijkheden om op een bepaald gebied goed te presteren.
De verschillende vormen komen uiteraard ook gemengd voor binnen één persoon. Wel zie je dat er vaak één soort overheerst.

  1. Iemand die beschikt over verbaal-linguïstische intelligentie beschikt over vaardigheden en kwaliteiten om door middel van taal de wereld te snappen. Hij gebruikt taal om grip op de wereld te krijgen. ( Om te leren en om te presteren) Deze persoon heeft kwaliteiten op het gebied van lezen, spreken, zich uiten in woorden, en het horen. Op die manier reageert hij ook op vragen. Is bereid om snel op vragen te reageren.
  2. Iemand met logisch-mathematische intelligentie werkt anders. Die zal in plaats van taal liever greep op de wereld krijgen via analyse, structuren, abstraheren. Die werkt met ordenen en analyseren. Deze persoon zal het prettig vinden om eerst goed te kijken voordat hij antwoord geeft op een vraag.
  3. Iemand met visueel-ruimtelijke intelligentie beschikt over kwaliteiten en vaardigheden om zich zaken te kunnen voorstellen. om er grip op te krijgen, maar andersom: hij is er dan ook goed in om zaken in beelden voor ogen te krijgen. Deze persoon moet iets voor zich zien om te kunnen leren en om greep te krijgen op de materie.
  4. Degene met tactiel-motorische intelligentie is lichamelijk ingesteld. Dat is meer dan alleen bezig zijn met bv. lichaamsbewegingen. Een kenmerkende eigenschap is dat deze graag dingen wil zien, maar ook vraagt of hij het even mag aanraken. Voelen en vasthouden zijn manieren om contact te maken met de zaak waar het over gaat. Deze persoon heeft input nodig om tot begrip te komen, net als alle anderen, maar het gaat niet via taal, maar via het voelen. Deze zal graag zeggen: 'Geef es hier.'. Dingen manipuleren (in de hand nemen) is een weg tot begrip.
  5. Iemand met muzikale intelligentie maakt gebruik van maat, ritme, patronen en herhaling om greep op de wereld te krijgen. Dat is een eigen vorm van ordenen en ordening zoeken. Muziek helpt bij het zoeken naar onderliggende processen. Maat en ritme worden gebruikt als ondersteuning van het lerenë
    Zo iemand zal telefoonnummers onthouden met behulp van het ritme dat er in zit. Hij heeft gevoel voor muzikaliteit en gebruikt de melodie die in de zaken verborgen zit. De muzikale intelligentie is zijn middel om te kunnen onthouden en om greep te krijgen op de wereld.
    Deze mensen zoeken overal naar maat, ritme, herhaling en patronen. Ze willen kadans aanbrengen. Daarmee komen zij verder.
  6. Iemand met interpersoonlijke intelligentie (inter=tussen) krijgt grip op de wereld via het interpreteren van stemmingen en bedoelingen van de ander en daarop zijn eigen handelen af te stemmen. Hij is gericht op wat een ander hem laat zien. Hij kan de interactie benutten om te leren. Deze kan goed leren door iets samen met een ander uit te zoeken.
  7. Iemand met een intra-persoonlijke intelligentie (intra=binnenin) leert van zichzelf. Vertaalt naar zichzelf toe, past zaken in in zijn eigen systeem, in zijn eigen denken. Vervolgens maakt hij zijn eigen gevolgtrekkingen en maakt eigen conclusies. Deze persoon is er dus bij gebaat als hij met leerstof in een hoek wordt gezet, om het daarmee zelf uit te zoeken en op zichzelf te laten inwerken.
  8. In 1995 heeft Gardner de naturalistisch-ecologische intelligentie aan zijn lijst toegevoegd. (die ontstaan was in 1983) Het gaat er hier om dat iemand het vermogen heeft om samenhangen te zien in de wereld om ons heen. Dit uit zich vooral in ecologie en milieu. Kinderen gaan aan de gang met het zoeken naar samenhang. Deze mensen starten vanuit een totaalplaatje, vanuit de samenhang om vandaar te komen tot inzicht over de losse delen.

Voor Gardner is deze lijst niet een zomaar willekeurig bij elkaar geraapt rijtje ideeën. Hij heeft zijn verdeling in meerdere intelligenties ook onderbouwd met kriteria. Het is dus mogelijk dat er in de toekomst nog andere vormen kunnen worden ontdekt. Iets kan pas een vorm van intelligentie worden genoemd als het aan vastgestelde kriteria voldoet:

In het denken over de verschillende vormen van intelligentie is er wellicht sprake van een negende en een tiende intelligentie. Er wordt aan onderzocht of het inderdaad aan alle kriteria voldoet. Men denkt dan aan intuïtieve en existentiële intelligentie.

De ideeën van Gardner hebben tijd nodig gehad om geaccepteerd te worden. In het International Handbook of giftedness and talent (1995) wordt hij in 1995 3 maal geciteerd. In de nieuwe editie van 2000 vinden we 63 verwijzingen.
Dit toont enerzijds aan dat de ideeën van Gardner meer en meer gehoor vinden. Anderzijds merk je hier een verschuiving in het denken over hoogbegaafdheid. Intelligentie en hoogbegaafdheid hebben zich losgemaakt uit het exclusieve domein van de psychometrie.

We hebben allemaal alle 8 intelligenties in ons. Maar niet allemaal in dezelfde mate.
Hoe de verschillen ontstaan? Je bent een product van de combinatie van wat in jezelf aanwezig is én van wat je omgeving je laat ontwikkelen of wat die omgeving je aanbiedt. Dan is er de erfelijke component en tegelijk de invloed van de omgeving.

Inmiddels krijgt het denken over de aanleg meer en meer aandacht. In de jaren 60/70 was men er zeer van overtuigd dat alles door de invloed van de omgeving (oa. onderwijs) bepaald werd. Inmiddels heeft men veel geleerd (sadder and wiser) en is er ruimte om te denken dat er toch ook een heleboel komt vanuit ' de aard van het beestje'. Aanleg die is aangeboren. Beide opvattingen hebben vele voor en nadelen. Goed een slechte gevolgen naar aanleiding van ene of ander opvatting. Inmiddels is er meer ruimte om verschillende elementen of verschijningen van intelligentie te benoemen die voortkomen uit aanleg.

Wat betekent dit nou in het onderwijs? Ook daar krijg je dus te maken met 8 vormen van intelligentie. Elke vorm heeft ook eigen specifieke leerbehoeften. Ieder leert op zijn eigen specifieke wijze. Het onderwijs richt zich van nature op de eerste twee of drie intelligenties. Dat zijn de uitingsvormen waarin onze maatschappij gewend is kennis over te dragen.
Het zou dus goed kunnen dat er kinderen vastlopen omdat ze altijd via een voor hen niet passende invalshoek informatie voorgezet krijgen.
Het zou wel eens kunnen zijn dat het onderwijs een breder aanbod zou moeten doen. Breder vooral in de wijze waarop de overdracht van datgene wat we waardevol achten plaatsvindt. Dan moet je dus soms andere ingangen gebruiken bij bepaalde leerlingen.
De een leert uit een boek, de andere leert in een docentgestuurde les, weer een ander moet dingen voelen, of erbij rondlopen, en sommigen leren door met een groepje iets uit te zoeken. Hoe breder het aanbod, hoe meer kinderen aangesproken worden op een voor hun passende manier. Biedt hetzelfde dus niet drie keer mondeling aan, maar op drie verschillende manieren. Ook omdat de vormen van intelligentie ook gemengd voorkomen.
Pieter heeft vragenlijsten ontwikkeld en bewerkt waarmee je kunt ontdekken welk intelligentie bij iemand past. Er zijn lijsten voor kinderen en voor volwassenen.
Voor informatie over het gebruik is hij telefonisch te bereiken of via zijn emailadres edukin@tiscali. nl
Met behulp van de scorelijst kun je kwaliteiten turven, daaruit volgt een overzicht: een profiel. Dan krijg je zicht op sterke en minder sterken kanten.
Het verkregen inzicht over zaken, die blijkbaar belangrijk zijn voor jouw manier van leren, kan nog wel eens verrassend zijn.
In het blad Praxisbulletin, dat op de meeste basisscholen ligt, verschijnt vanaf september 2002 een serie van 9 artikelen over de acht intelligenties van Gardner, geschreven door Pieter.

Wat kun je er mee als je weet welke intelligentie-vorm bij iemand hoort?
Je kunt je eigen leren, of dat van je leerling, aanpassen zodat je op een voor die persoon optimale manier de wereld, of datgene wat geleerd moet worden, onder controle krijgt. Op je eigen manier greep op de wereld krijgen. Datgene in stelling brengen wat voor jou het beste werkt.
Aan de andere kant kun je er aan werken om die manieren van leren, die je blijkbaar van nature niet zo gemakkelijk afgaan, te versterken. Je breidt je handelingsmogelijkheden uit.
Als je een profiel van een leerling hebt, dan kun je er als leerkracht je didactisch handelen op afstemmen. Zeker als blijkt at er meerdere kinderen in je groep op een bepaalde manier het beste leren, en presteren. (Want het gaat om manier van leren, de wereld onder controle krijgen, maar ook over de bijbehorende manier van presteren en uiten)
Je kunt zorgen voor uitleg op maat, voor aangepaste leerwegen. Zoals passend bij het profiel.

In de praktijk krijgen kinderen in de klas een keer uitleg, de leerkracht laat het een keertje zien en dan houdt het op. Snap je het dan niet, dan volgt er wat extra uitleg. In dit proces wordt maar een deel van de intelligenties aangesproken.
Als voorbeeld wordt het gebruik van schuurpapieren ;letters aangehaald, een beproefd Montessori materiaal. In kleuterklassen zijn ze vaak aanwezig,, soms in groep drie nog wel beschikbaar, maar daarna wordt dat als kinderachtig en achterhaald beschouwd. Het aanraken en voelen wordt dan niet meer aangeboden. Met de verschillende vormen van intelligentie in het achterhoofd, kun je bedenken dat op die manier veel kinderen niet passend bediend worden. Sommige kinderen hebben een motorische ervaring nodig, ook oudere kinderen.

Hoe kun je als ouder de leerkracht van je kind inzicht geven in hoe jouw kind in elkaar zit, en dus in hoe dat kind het beste aangesproken kan worden? En dan zonder een lastige ouder te zijn?
Je ontkomt er aan de ene kant niet aan met een gevoel van: 'daar ben ik weer' naar de leerkracht te gaan. Aan de andere kant is het ook niet raadzaam om aan de kant te zitten en niets te doen, want dan gebeurt er meestal ook niks. Ga je het gesprek op school aan, dan heb je in ieder geval iets gezegd. Als ouder is het nu eenmaal zo dat je soms moet knokken voor je kind. Of aardiger: soms moet je je leerkracht een beetje helpen om je kind beter te snappen en te begeleiden. Gelukkig zijn er veel leerkrachten die best bereid zijn het gesprek met je aan te gaan.
Je kunt de leerkracht attent maken op de zorg die je hebt over je kind. Soms worden de ouders dan niet begrepen. Daarbij is het erger dat in zo'n geval eigenlijk het kind niet wordt begrepen.
Het komt echter heel vaak voor dat een kind op school niet laat zien hoe het in elkaar steekt, of wat het in zijn mars heeft. Op school is er sprake van een ingewikkelde wisselwerking tussen twee partijen. Daarbij kunnen soms delen uit het verband raken.

Het praten over verschillende intelligenties moet je niet verwarren met de ideeën van Kolb. Kolb heeft verschillende leerstijlen beschreven. Een leerstijl is een algemene aanpak, die overal voor geldt. De intelligenties waar we het nu over hebben zijn capaciteiten die bij een persoon horen.

Wees voorzichtig met te snel toekennen van labels. Iemand die muzikaal is, dus talent heeft om muziek te maken, hoeft niet persé ook muzikale intelligentie te hebben. Hij zou ook andere intelligenties kunnen gebruiken om bv te leren zingen of bij voorbeeld over grote creativiteit kunnen beschikken om daarmee muziek te maken.

We leggen een link naar hoogbegaafdheid. Het gedachtegoed van Gardner geeft een nieuwe kijk op intelligentie. We worden uitgenodigd om genuanceerd te kijken naar het begrip intelligentie. Blijkbaar leert niet iedereen op dezelfde manier optimaal.
Kijken we naar de gewoonten op school dan zien we dat vooral de eerste drie soorten intelligentie worden aangesproken en gewaardeerd. Met name het talige deel valt op, het mathematische ook nog wel. Bij hoogbegaafdheid zoekt men dan ook vooral naar die vormen, en dat hoeft niet persé iemands beste kant te zijn. Verder valt te betwijfelen of iemand die sterk interpersoonlijk gericht is, en hoogbegaafd is, altijd wel aan zijn trekken komt in een gemiddelde klas. Hij heeft immers mensen om zich heen nodig om samen mee te stoeien over de gegeven leerstof.

Het is goed om leerstof aan te bieden op manieren die gericht zijn op de voorkeuren van de leerlingen. Daarnaast is het ook goed om de andere vaardigheden bij te spijkeren.

Naast de schoolse prestaties, is het ook goed om te kijken naar andere kwaliteiten van een kind. De uitschieters in vaardigheden en kwaliteiten (talenten) buiten school kunnen een middel zijn om een kind te bereiken. Door uit te gaan van sterke kanten en talenten, kun je een kind wellicht bereiken, om van daar uit te kunnen werken aan kanten die minder goed ontwikkeld zijn. Sleutel niet alleen aan zwakten, leg niet alleen nadruk op wat niet goed gaat. Gebruik datgene waar iemand wel goed in is om de zwakkere delen op te tillen. Ook omdat buitenschoolse uitschieters en talenten kunnen wijzen op de voorkeur of aanleg voor een andere vorm van intelligentie.

Het is vaak niet verstandig om te proberen om ongemerkt iets aan een kind te verbeteren. Je kunt beter uitleggen wat je aan het doen bent en wat je wilt bereiken. Waarom doe je iets. Dan kun je het leren bewust richten. De nodige verbeteringen werken dan ook beter.

INTELLIGENTIE IS HET VERMOGEN VAN EEN MENS OM PROBLEMEN OP TE LOSSEN EN PRODUCTEN TE MAKEN DIE IN EEN CULTUUR GEWAARDEERD WORDEN
Uit de folder van Edukin:
Gardner postuleerde dat wij allemaal die meervoudige intelligentie ín ons hebben. In het ontwikkelingsverloop van de mens zien we daar iets van terug; we benoemen dat vaak als stadia in de ontwikkeling die we moeten dóórlopen en waar we ook 'uit' geraken. Maar we zien ook om ons heen mensen (volwassenen vaak) die nadrukkelijk uitblinken in bepaalde vaardigheden. We noemen dat dan begaafde mensen of toptalenten, of we spreken over aangeboren kwaliteiten. Feitelijk kunnen we dit echter beschouwen als exponenten van de meervoudige intelligentie die nadrukkelijk naar voren komen.
Zoals gezegd, we hebben allemaal die intelligenties in ons. Wanneer we deze intelligenties op de juiste manier aanspreken gaat er een wereld van mogelijkheden voor ons open. Voor het onderwijs spreekt dat natuurlijk voor zichzelf, maar er blijken tal van andere toepassingen mogelijk, daar waar overdracht en communicatie in het geding is.
Gebruik maken van de mogelijkheden die we in ons hebben is belangrijk. En dat niet alleen; het is een feest om te ontdekken welke mogelijkheden we in ons hebben!

Noot: Hoewel hoogbegaafdheid lang niet altijd een bron van narigheid hoeft te zijn, komt het helaas toch vaak voor dat het niet vanzelf goed gaat met een kind. Aangepaste begeleiding (veel of weinig) is vrijwel altijd nodig.

Homo universalis
A polymath is a person who excels in multiple fields, particularly in both arts and sciences. The other most common term for this phenomenon is Renaissance man, but also in use are Homo universalis and Uomo universale, translate as "universal person" or "universal man"rmally used inbe skillful or to excel in a broad range of intellectual fields
lomath," a seeker of knowledge.
Pantomath" a person who knows everything. Very few people can genuinely be called polymaths.)
. Hiermee wordt bedoeld iemand die van alle markten thuis is.

Veel kunstenaars uit de renaissance waren ook architect en beeldhouwer, Leonardo was nog veel meer. Hij was schilder, tekenaar, architect, musicus, beeldhouwer, ingenieur en natuuronderzoeker. Als je kijkt naar de schetsen, schilderijen en tekeningen die hij tijdens zijn leven gemaakt heeft, vind je een veelheid aan onderwerpen. Naast schilderijen met portretten, kerkelijke taferelen en schetsen van het menselijk lichaam zijn er ontwerpen van vliegmachines, muziekinstrumenten en zelfs van een fiets. Ook maakte Leonardo studies van de bloedsomloop en het hart, bestudeerde hij plant- en dierkunde en ontwierp hij kanalen enWie meende dat hoogbegaafdheid een zegen was, heeft het verkeerd voor. Hoogbegaafdheid is een handicap. In een maatschappij waar de meerderheid relatief tot de hoogbegaafden minderbegaafd is, is het noodzakelijk de hoogbegaafde die in het ongelijk wordt gesteld. Het is de meerderheid die de publieke opinie vormt, het is de meerderheid die beslist over de wetgeving: de democratie is immers niets anders dan de tirannie van die meerderheid, en derhalve van de middelmatigheid. De hoogbegaafde is steeds de dupe. Hoogoriginele en waardevolle inzichten worden weg gebonjourd in de discussies, en vervangen door vooroordelen, oppervlakkige dogma's en taboes. Voor promotie in de geledingen van de staat en van de industrie komen alleen diegenen in aanmerking die best passen in de kaders die zij moeten opvullen, en dat zijn nu eenmaal niet de hoogbegaafden.

Hoogbegaafdheid
Hoogbegaafden worden veelal beoordeeld door minderbegaafden
, en deze laatsten zijn de mening toegedaan dat zowel het oordeel als het gedrag van hoogbegaafden niet beantwoorden aan de gewone normen, of aan de normen die minderbegaafden passend en noodzakelijk achten. Voor vele hoogbegaafden begint de miserie al vanaf de prilste jeugd. Meestal kunnen ze al lezen en schrijven vóór ze naar school gaan. En dan worden ze veroordeeld, om in het gezelschap van minderbegaafden en minderontwikkelden opnieuw te gaan leren wat zij allang kennen. Zij worden gedwongen hun vriendjes te vinden bij kinderen die geen interesse hebben voor meer geëvolueerde onderwerpen. Zij voelen zich soms niet goed op hun plaats in de cohorte van de middelmatigen. Sommigen isoleren zich dan. Anderen worden gemeden en zoeken dan aansluiting bij ouderen, indien dat mogelijk is. Meestal zijn ze er zich helemaal niet van bewust welke de oorzaak is van een relatieve eenzaamheid, van een zeker gevoel van er niet bij te horen, van een gevoel zelfs minderwaardig te zijn en niet mee te kunnen met het sociale leven. Zij zitten niet op dezelfde golflengte, en zij zijn blij als zij toevallig stoten op een aangepaste toehoorder, iemand die hen begrijpt, geïnteresseerd is in dezelfde dingen en vooral op dezelfde wijze de werkelijkheid benadert.

Door de systematische ontmoediging van hoogbegaafden gaat veel talent verloren en zo komt het dat de meest verantwoordelijke posten toevertrouwd worden aan minderbegaafden. Dit verwekt een langzame verloedering van alle mechanismen van de staat, van het gerecht, van de administratie. Scholen en universiteiten worden broedplaatsen voor middelmatigheid en conformisme. De ingewikkelde problemen, die ontstaan in een moderne maatschappij en vooral in een maatschappij, die geregeerd wordt door minderwaardige beginselen, kunnen niet meer adequaat opgelost worden, en die toestand brengt chaotische situaties voort.

Hoogbegaafden zijn een zeldzame rijkdom voor een land. In plaats van ze te elimineren dient men ze te cultiveren.

Inleiding

Bij de studie van de hoogbegaafdheid komen talrijke problemen aan de oppervlakte. Over een juiste bepaling van de hoogbegaafdheid zijn de experts het niet eens, sommigen willen alleen cognitieve hoogbegaafdheid in aanmerking nemen, anderen een veel ruimere gamma van begaafdheden, zoals talent voor kunst, muziek, en dgl. Voor weer anderen moet men de cognitieve hoogbegaafdheid uitbreiden met creativiteit, mogelijkheid om originele oplossingen te vinden en nieuwe aspecten van een probleem te behandelen, gepaard aan intellectueel dynamisme en soepelheid.

Sommigen beperken het aantal van diegenen die in aanmerking komen tot 1% van de populatie, anderen tot 5% of 10%, sommigen zelfs tot 20% of meer. Dat is duidelijk een misvatting. Echte hoogbegaafdheid is zeldzaam. En men moet onderscheid maken tussen de adequate zorg voor begaafden en meerbegaafden (20% van de populatie) en de erkenning van de echte hoogbegaafdheid (maximaal 1-2% van de populatie).

Een tweede probleem is het opsporen van een hoogbegaafde; een probleem dat moeilijker wordt naarmate het kind jonger is. Want het is belangrijk een hoogbegaafde reeds van in de wieg te herkennen, omdat men dan onmiddellijk weet welke moeilijkheden te verwachten zijn, hoe men het gedrag van het kind moet interpreteren en erop inspelen, hoe het kind begeleiden in zijn verdere ontwikkeling om die te optimaliseren.

Want dat is het derde probleem: een hoogbegaafde moet deskundig begeleid worden, wil men hem een harmonische ontwikkeling waarborgen. Het is niet vanzelfsprekend dat een hoogbegaafd kind beter presteert en harmonischer opgroeit dan zijn leeftijdgenoten. Integendeel, de uitzonderingspositie van een hoogbegaafde beïnvloedt zijn hele psyche, zijn zelfbeeld en ook zijn imago voor de anderen. Hij is daarin niet anders dan om het even welke gehandicapte. Niet alleen zijn sociale positie, maar ook zijn intellectuele standing kan positief of negatief gericht worden. Veel hangt hier af van het milieu dat een hoogbegaafde omringt. Is dat sympathiek, begrijpend en bevorderend, dan wordt de kans groot dat een hoogbegaafd kind de beloften van zijn jeugd inlost. Is het vernederend, afstotend, belemmerend, dan kan veelal zelfs een hoogbegaafd kind niet veel anders dan blijvend vegeteren in een sfeer van mislukking.

Een vierde probleem is het feit dat de meeste echte hoogbegaafden volledig onwetend en onbewust zijn. Zij kennen hun mogelijkheden niet. Zij zien zich zelf met de ogen van hun omgeving, als min of meer oninteressante individuen, die niet meekunnen met de groep of apart zijn. Bij sommigen dreigt een heus minderwaardigheidscomplex: in de school zijn ze middelmatig. Franklin Roosevelt, John Kennedy, Winston Churchill, Einstein, Pasteur waren middelmatig in de examens. Werner von Braun, de raketspecialist, mislukte zelfs voor mathesis en fysica bij het hogeschoolexamen.(1) Andere beroemdheden die slechte leerlingen waren, zijn: Bismarck, Michelangelo, Newton, Darwin, Zola, Oscar Wilde.(2)

Daartegenover staan evenwel ook uiterst vroegrijpe jonge geesten: de mathematici Abel, Euler, Gauss, Galois, de fysicus Max Planck, Norbert Wiener die op 15 jaar afstudeerde aan de universiteit. Ook Einstein was vroegrijp, al werd hij nadien toen hij toegang vroeg tot de Polytechnische Hochschule van Zürich geweigerd, en verkreeg hij na zijn doctoraat geen academische job.(3) Vroegtijdige originaliteit toonden ook Mozart, Beethoven, Mendelsohn.(4)

Dergelijke feiten zijn verwarrend, omdat het zo verleidelijk is hoogbegaafdheid te verwisselen met uitstekende prestaties op school. Zelfs als men aan die verleiding niet toegeeft, dan is er nog het gevaar, dat men hoogbegaafdheid bepaalt als een uitmuntende uitslag op de intelligentietest. Men verwacht van een hoogbegaafd kind dat het vroeger dan zijn leeftijdgenoten rijpt, een paar jaar of meer vooruit is op de normale intellectuele ontwikkeling, dan uitzonderlijk presteert op school, en nadien op de universiteit, maar het is een feit dat zelfs velen van die veelbelovende leerlingen eigenlijk het niet zo uitzonderlijk ver brengen daarna.(5)

De zorg voor hoogbegaafden heeft veel geleden omdat de hoofdbekommernis het opsporen van genieën in spe was, meer nog het opfokken van genieën door intensieve zorgen. Voor Amerika was de Spoetnikervaring zo vernederend, dat plots een sterke beweging ontstond: niet alleen kwam er een brain-drain op gang uit Europa, maar ook een brein-jacht in het land zelf. En naarmate men begreep dat de opvoeding en de vorming een essentieel en onmisbaar deel waren van de breincultuur, ging men niet alleen die vorming richten naar hogere breinprocessen, maar haar ook versnellen, ontwikkelen en uitbreiden. Tenslotte kwam het er op aan de breincultuur te industrialiseren.

In Amerika gaf men er zich allengs rekenschap van dat de scholen op een te laag peil stonden om de begaafden, de meebepaalden en vooral de hoogbegaafden fatsoenlijk op te vangen. Vandaar pogingen om tot 50% van de leerlingen te laten "profiteren" van gevorderde leergangen, versnelde curricula, verrijkte lesroosters.

Daarbij domineert enerzijds de vrees ook maar één hoogbegaafde onterecht uit te sluiten, anderzijds de zorg om iedereen, die ook maar een teken geeft of een symptoom vertoont van begaafdheid, te betrekken in de geboden mogelijkheden.

Tegelijk ontwikkelde men een hardnekkige weerstand tegen het afzonderen van hoogbegaafden in speciale scholen of klassen. Dit houdt verband met het algemene gelijkheidsideaal dat vele Amerikanen zo lief is. Iedereen heeft recht op een maximale ontwikkeling, waarom dan nog speciale afdelingen en leergangen voor hoogbegaafden? Toch waren Platoon in de Oudheid, Karel de Grote, een sultan uit de 15e eeuw door de oprichting van een paleisschool, Comenius en Jefferson, de Amerikaanse President, voorstanders van de systematische selectie van hoogbegaafden. Terwijl de publieke opinie minder moeite heeft met bijzonder onderwijs voor minderbegaafden en mentaal gehandicapten, toch blijft men sputteren tegen een bijzonder onderwijs voor hoogbegaafden. Men ziet dit als het vormen van een geprivilegieerde groep op kosten van de staat. Hoogstens verdraagt men enkele aanpassingen in overigens algemeen toegankelijke scholen voor leerlingen die bijv. enkele bijzondere leergangen willen volgen.

Het probleem van de hoogbegaafdheid wekt dus acute reacties in de publieke opinie en in de bestaande scholen. Het gaat zo ver dat op een vraag van een onderzoeker: hoeveel hoogbegaafden er in de school aanwezig waren, een directeur antwoordde, dat er geen waren. Een aantal scholen negeren gewoon het probleem, of doen alsof ze erom bekommerd zijn, maar doen niets.(6) Eigenlijk is dat niet verwonderlijk. Waarom zouden minderbegaafden zich bemoeien met de problemen van de hoogbegaafden? Malicieus schreef Shaw: "Zij die het kunnen, doen het; zij die het niet kunnen onderwijzen."

De tekortkomingen van de school en hun invloed op de prestaties worden allicht verward met de gevolgen van minderbegaafdheid, of terecht of ten onrechte toegeschreven aan niet erkenning van hoogbegaafdheid.

Er bestaan ondertussen verenigingen van ouders van zgn. hoogbegaafde kinderen, die ijveren voor een uitzonderlijke behandeling van hun kinderen en dat in de gewone scholen. Daartegenover staat de tendens hoogbegaafde leerlingen te verzamelen in speciale scholen. Deze loopt parallel met de overtuiging dat hoogbegaafde leerlingen ernstige nadelen ondervinden van de behandeling die zij ondergaan in de gewone scholen, en dat deze nadelen niet voldoende kunnen opgevangen worden door deze scholen.

Als er al veel verwarring heerst over het begrip hoogbegaafdheid zelf, over de kwalificatie van een kind als hoogbegaafd, over het nut en de noodzaak van zulke kwalificatie, over de speciale maatregelen die nuttig en nodig zijn bij de opvoeding en het onderwijs van zulk kind, is de chaos compleet; er is absoluut geen eensgezindheid. Daarenboven worden er vragen gesteld over de toekomst van hoogbegaafden in de maatschappij, over hun plaats in de gemeenschap, eenmaal volwassen. Want het blijkt dat de maatschappij niet altijd zeer open staat, zeer aanmoedigend, zeer aanvaardend is voor werkelijk hoogbegaafden.

Het fenomeen "miskend genie" ligt op ieders lippen, hoewel dit begrip eigenlijk foutief is. Juister moet men spreken van "miskend talent" en vooral "miskende begaafdheid". Want daar ligt de oorsprong van de negatieve houding tegenover hoogbegaafdheid. Men beoordeelt de uitingen en de tekens van deze begaafdheid als negatieve kenmerken bij het kind, of, in minder manifeste gevallen als onbelangrijk en bijkomstig. Volgens Lombroso (1891) werden Pestalozzi, Humboldt, Newton, Balzac en Boccaccio als min of meer zwakzinnig versleten.

Anderzijds komt het voor dat minder verstandige ouders hun kind absoluut willen doen doorgaan als hoogbegaafd en dan door speciale trainingsprogramma's uitzonderlijke prestaties verlangen van het kind. Wanneer ze opgroeien en volwassen worden verdwijnt echter het wonder van deze wonderkinderen als sneeuw voor de zon. Een deel ervan zijn louter receptief of reproductief, ze zijn met alles bezig, en sterven vroeg.(7)

Daarom hebben we besloten enkele begrippen in het klare te trekken, enkele ideeën vooruit te schuiven, enkele richtlijnen te formuleren. Een klare probleemstelling is de eerste stap naar een oplossing.

Hoogbegaafde volwassenen
Van problematisch naar succesvol

Als psychotherapeut en lifecoach, die regelmatig hoogbegaafde (jong)volwassenen begeleidt, wil ik graag reageren op de vragen die Ernst Radema oproept in zijn artikel inzake succesvolle dan wel problematische hoogbegaafde volwassenen (MB december 2004). Welke kenmerken van een hoogbegaafde persoon bepalen of hij in de categorie ‘succesvol’, ‘onopvallend levend’ of ‘problematisch’ terecht komt? En, hoe kan een hoogbegaafde, eventueel, uit de categorie ‘problematisch’ weer omhoog klauteren? Bestaat daar onderzoek over of zijn er programma’s voor begeleiding?

Onderzoek en programma’s
Bij mijn weten bestaat er in elk geval niet véél onderzoek rond deze vragen. En (Nederlandse) programma’s voor volwassenen heb ik al helemaal nooit gezien. Maar misschie kan iemand anders mij daar nog op wijzen. Waarschijnlijk bestaat er wel wat literatuur op het gebied van de arbeids- en organisatie-psychologie, maar op het gebied van psychiatrie en klinische psychologie moet je er in elk geval met een lampje naar zoeken! In het kader van een door mij uit te voeren promotie-onderzoek naar psychotherapeutische hulpverlening aan en lifecoaching voor hoogbegaafde volwassenen heb ik inmiddels wat literatuur opgespoord - die ligt klaar ter bestudering. Ook ben ik van plan om werkwijzen, methoden e.d. die voor hoogbegaafde (en al dan niet onderpresterende) kinderen ontwikkeld zijn te vertalen naar begeleiding van volwassenen. Ik zal daarvan tezijnertijd (onder meer in de MB) verslag doen. Op dit moment kan ik alleen nog maar wat vanuit mijn eigen praktijk-ervaringen vertellen.

Succesvolle hoogbegaafde volwassenen
Om te beginnen is het de vraag wat je onder succesvol verstaat. Is dat rijk, beroemd en geslaagd? Of is dat gelukkig, tevreden en blij? Slaat het op carrière, huwelijk of leven? Voor al deze succesvolle situaties of levensterreinen zullen enigszins andere karaktertrekken en vaardigheden geschikt of noodzakelijk zijn. In zijn algemeenheid geldt voor hoogbegaafde volwassenen hetzelfde wat ook voor ‘gewone’ volwassenen geldt: ambitie, motivatie, hard werken, sociale vaardigheid en een positief zelfbeeld dragen bij aan succes en geluk. Sommigen zullen zeggen dat een portie mazzel en je afkomst ook belangrijk zijn, maar goed.

Hoogbegaafde volwassenen hebben een extra ingrediënt, namelijk hun intelligentie. Maar daarmee hebben zij ook een extra valkuil in huis. Ik denk, dat succesvolle hoogbegaafde volwassenen op de een of andere manier geleerd hebben om niet te verdwalen in hun gave, om niet gevangen te raken in hun cognitieve mogelijkheden. Positiever gezegd, dat zij op de een of andere manier geleerd hebben om hun cognitieve gave ten positieve te benutten en uit te buiten. En dat wordt, denk ik, gestimuleerd door een zekere speelsheid, een positieve en optimistische instelling en een creatieve aanleg (voor zover je creativiteit niet als onderdeel van intelligentie beschouwt). Maar ook ouders, leerkrachten en werkgevers, die plezier hebben in de talenten van hoogbegaafden en hen de ruimte geven, dragen bij aan de positieve ontwikkeling van in beginsel grote cognitieve mogelijkheden. Overigens, wat te denken van een succesvolle, maar onuitstaanbare hoogbegaafde volwassene?

Problematische hoogbegaafde volwassenen
Ook hier geldt: wat zijn problematische hoogbegaafde volwassenen? Zijn dit hoogintelligente mensen die door hun omgeving als problematisch gezien worden, of hoogintelligente mensen die zichzelf als problematisch zien of ervaren? Of hoogbegaafden die ‘problemen hebben’?

Ik denk wel, dat mensen met een hoge intelligentie juist door hun wijze van cognitief functioneren ‘bevattelijk’ zijn voor bepaalde ontsporingen. Zij kunnen verdwalen in hun gave of er niet in geslaagd zijn (niet geleerd hebben) om hun gave ten positieve te benutten. Ontsporingen kunnen hun grond vinden in de hoogintelligente mensen zelf, maar ook in hun contacten met anderen. In mijn praktijk ben ik bij hoogintelligente mensen alle soorten van psychische problematiek tegen gekomen, die ik ook aantrof bij gemiddeld en minder begaafde personen. Alleen, hebben de problemen vaak een wat andere achtergrond (verklaring) en een andere wordingsgeschiedenis.

Valkuilen voor hoogbegaafde mensen
De navolgende opsomming van valkuilen zal vast niet uitputtend zijn en wellicht zal ik op den duur de indeling veranderen, maar voorlopig ziet het er zo uit:

-     Snelheid en veelomvattendheid van denken, maar ook het op meerdere fronten tegelijkertijd denken kan beangstigend en verwarrend, dan wel fascinerend zijn. In het ene geval kan het leiden tot perfectionistische, dwangmatige manieren van denken en doen - om de controle te behouden. In het andere geval kan het leiden tot fantastische, waanachtige denksystemen, waaraan niemand meer een touw kan vastknopen.

-     Helder inzicht, vermogen om ver vooruit te denken kan leiden tot regelmatige zie-je-wel-ik-had-toch-gelijk-ervaringen. Dit kan zich op zijn beurt ontwikkelen tot een vorm van (‘terecht’) narcisme en vervolgens ontsporen in al dan niet als zodanig bedoeld arrogant gedrag.

-     De ervaring ‘vreemd’ gevonden te worden kan enerzijds leiden tot gevoelens van minder-waardigheid, tot denken dat je dom bent. 

-     Een groot geheugen en een groot vermogen tot snelle opname van veel kennis kan er toe leiden dat er geen doorzettingsvermogen, geen leer- en samenwerkings-strategieën ontwikkeld worden. Hierdoor kunnen hoogintelligente mensen in beroepsopleidingen en werksituaties vastlopen: zij raken snel ontmoedigd en weten met name niet hoe ze ‘samen’ moeten leren, overleggen of iets creëren.

-     Nieuwsgierigheid, enthousiasme, werklust en het vermogen om in korte tijd veel werk te verzetten maken hoogintelligente en hoogbegaafde mensen bevattelijk voor burnout.

-     Hoge eisen stellen aan kennis, producten, organisatie, gedrag e.d. (hoogintellectuelen leggen de lat voor zichzelf en voor anderen heel hoog) kunnen leiden tot  perfectionisme, controledrang en een gevoel van tekort schieten.

-     Hoge prikkelgevoeligheid en een gering vermogen om input te weren kunnen leiden tot concentratieproblemen, hyperactiviteit en verhoogde prikkelbaarheid 

-     De neiging om in tijden van stress de problemen met behulp van de ratio (‘logisch denken’) aan te pakken leidt soms tot een ‘emotieloze copingstijl’. Een manier van doen die de problemen soms alleen maar groter maakt, met name in vriendschappen en relaties en in de opvoeding van kinderen.

-     Een eventueel in het verleden niet onderkend zijn van de hoge intelligentie leidt tot ‘intellectuele ondervoedingsverschijnselen’. 

Uit de valkuil omhoog
Op het gevaar af dat mij verweten wordt dat bovenstaande opsomming het negatieve beeld over hoogbegaafden versterkt, meen ik toch dat het een vorm van struisvogelpolitiek is om met alle geweld alleen maar de positieve kanten van hoogbegaafdheid en hoge intelligentie te willen zien. De valkuilen van hoge intelligentie zijn verraderlijk en ernstig!

Een eerste stap op de weg omhoog is derhalve de problemen niet ontkennen en ze serieus nemen. Een tweede stap is het opzoeken van lotgenoten, lid worden van Mensa, deelnemen aan SIG’s, borrelavonden etc. etc. Vaak is dergelijk contact heilzaam, omdat je patronen leert herkennen, valkuilen leert zien en van anderen kunt leren hoe ze te omzeilen. Soms echter werkt lotgenotencontact averechts en verergert het alleen maar de problemen.

En een derde stap kan dan zijn hulp te zoeken bij het ontwarren van de vaak gemene ‘knoop’ die de hoge intelligentie in iemands leven gelegd heeft. De kunst is uiteindelijk om ongebruikte positieve kanten van hoge intelligentie (in mijn praktijk bleek dat vaak ‘creativiteit’ en ‘humor’ te zijn) bij jezelf te ontdekken, danwel te leren hoe je anders kunt omgaan met de potentieel negatieve kanten van hoge intelligentie - de valkuilen zoals hierboven omschreven.

'Hoogbegaafd. Die wordt heel rijk'

De lijst met signalen die duiden op hoogbegaafdheid is lang. U functioneert het beste solo, u heeft een sterk rechtvaardigheidsgevoel, u zit vaak te tobben, u stort zich met volle overgave op een nieuw project, u bent snel verveeld, u stelt dingen uit en hebt vaak moeite iets af te maken, u moet uw denkbeelden vaak uitleggen en dan nog worden ze niet altijd begrepen, u hebt een hekel aan herhalingen. Enzovoorts.

Sommige van de kenmerken maken meteen duidelijk dat extra-intelligente mensen vaak een levenspad kennen dat helemaal niet over rozen gaat. ,,Dat is alleen het beeld'', zegt Annelien van Kempen, loopbaanbegeleider bij bureau Kuipers & Van Kempen in Voorburg. ,,In het onderwijs wordt hoogbegaafdheid wel gesignaleerd als probleem. Maar als kinderen de school verlaten, houdt het op. Dan denkt men 'Die is zo slim, die wordt vast heel gelukkig en rijk'. Maar de praktijk leert hoogbegaafden juist dat ze 'anders' zijn. Daardoor komen zij dingen tegen die als het ware onverklaarbaar zijn.''

Niet-sociaal

Een plaats waar die onverklaarbare dingen voorkomen, is het werk. Extra-intelligente mensen hebben vaak moeite met autoriteit en kunnen daardoor gemakkelijk in aanvaring komen met het management. Of ze worden niet-sociaal gevonden. Soms buitelen hun gedachten over elkaar en dat maakt het helder formuleren van een standpunt lastig. 

Bij ,,reguliere instituten'' wordt dergelijk 'disfunctioneren' , vaak niet gerelateerd aan hoogbegaafdheid'', zegt Van Kempen. ,,Als het echter wél wordt benoemd, zie je naast herkenning vaak ook enorme opluchting. Het onverklaarbare wordt plotseling verklaarbaar.''

Juist omdat er relatief weinig aandacht is voor de combinatie hoogbegaafdheid en werk, riep Van Kempen onlangs met haar zakenpartner Willem Kuipers en met steun van een aantal andere loopbaanadviseurs een speciale startpagina over het thema op internet in het leven. Op www.hoogbegaafd-en-werk.nl zijn links te vinden naar sites waar meer te lezen valt over (de kenmerken) van hoogbegaafdheid en hoe daarmee kan worden omgegaan. Van Kempen hoopt met de internetsite niet alleen in een informatiebehoefte te voorzien, maar ook in klandizie voor haar praktijk.

,,Zo'n twee procent van de bevolking, dus 320.000 mensen, is hoogbegaafd'', aldus de loopbaanbegeleider. ,,Als je uitgaat van een beroepsbevolking van vijf miljoen, zijn er op de arbeidsmarkt 100.000 hoogbegaafden actief. Eenderde daarvan is enorm succesvol, bijvoorbeeld met een eigen onderneming. Nog eens eenderde leeft er 'overheen' en functioneert normaal. Soms ontstaan op latere leeftijd wel problemen. En weer eenderde conformeert zich juist niet aan het systeem. Die laatsten, als die de ruimte krijgen, dan blijken het echte vernieuwers. Maar als ze beperkt worden, dan houden ze niet vol. Dan volgt burn-out. Of men besluit voor zichzelf te beginnen.''

De omgeving ervaart hoogbegaafden dan wel als slim, autonoom, nieuwsgierig en breed geïnteresseerd, zijzelf kampen nogal eens met een laag zelfbeeld, onzekerheid en faalangst, zegt Van Kempen. ,,Vooral bij vrouwen zie je dat ze een houding faken, omdat ze van zichzelf denken dat ze niets weten en bang zijn dat anderen dat doorhebben.''

Voor hoogintellingenten begint iets vaak pas áchter de horizon. Dat 'grenzeloze' maakt dat de ene baan hun meer past dan de andere. Een zelfstandig beroep als advocaat, journalist of kunstenaar kan geschikt zijn, net als bijvoorbeeld specialistische functies in de juridische, technologische en medische sectoren. Hun kennis en kunde kan ondernemingen geld voor dure externe adviseurs besparen. Extra-intelligente mensen blijken door hun vermogen feiten te combineren vaak ook goed in het ontdekken van trends, iets dat bedrijven kan helpen bij productontwikkeling.

Hoe kan een werkgever leiding geven aan een hoogbegaafde werknemer, zodat die niet binnen de kortste keren op zijn werk is uitgekeken, maar het bedrijf juist verrijkt met zijn inspanningen?

Van Kempen: ,,Zo'n werkgever moet de hoogbegaafde zoveel mogelijk laten doen wat die wil doen.Tegelijk moet die werknemer bij de les worden gehouden, anders gaat hij te veel de breedte of diepte in en verliest hij zijn eigenlijke taak uit het oog. Wat goed werkt, is tijdelijk volledige vrijheid geven om dingen te ontdekken en helemaal uit te pluizen. Daarna heb je weer een hele tijd een toegewijde werknemer die wel binnen de grenzen functioneert.''

IQ-test en het begrip hoogbegaafdheid zijn maar een deel van het verhaal  
Een IQ-test kan makkelijk in een lagere score resulteren als de persoon gespannen is. Toevalstreffers, waarbij de score onrealistisch hoog is, komen praktisch niet voor.
Iemand kan dus zeer goed slimmer zijn, dan zijn/haar IQ-score laat zien. Toch wordt zo'n score door velen als een betrouwbaar criterium voor de beoordeling van iemands intellectuele (on-)mogelijkheden gebruikt.

Kuipers & Van Kempen gebruikt de term extra intelligent om aan te duiden dat iemand door zijn/haar omgeving en door zichzelf als bijzonder intelligent mag worden beschouwd, zonder dat expliciet het IQ bekend of gemeten is.

Hoogintelligent begint vanaf een IQ van 140. Dat komt overeen met ongeveer 2% van de Nederlandse bevolking, zo'n 300.000 mannen/ vrouwen.

Hoogbegaafd en hoogbegaafdheid blijken beladen termen, waarvan verschillende definities bestaan. Een pragmatische variant is: een hoogbegaafde is iemand die hoogintelligent is èn een evenwichtige persoonlijkheid heeft.

 

Hoogbegaafden hebben een extra uitdagende baan nodig

Zo’n 2,5 procent van de bevolking is hoogbegaafd, maar slechts de helft van hen weet het ook. Ze denken sneller en kunnen meer tegelijk in zich opnemen. Werk daar maar eens mee samen. ‘De inhoud biedt me zelden uitdaging, ik lees me snel in en onthoud wat ik lees’, vertelt Wim O.. ‘Waar ik goed in ben is verbanden leggen. En dan met name de verbinding maken tussen generalisten en specialisten.’

Jarenlang zwierf O. van baan naar baan, maar hij was nergens echt op zijn plaats. Na een dromerige middelbare schoolcarrière, een jaartje Pabo wat het toch niet was, en de verplichte militaire dienst, ging hij aan de slag bij een verzekeraar. Daar groeide hij in een paar jaar tijd uit van jongste bediende zonder opleiding naar kwaliteitsmedewerker en uiteindelijk zelfs OR-voorzitter voor alle 2500 medewerkers.

Maar O.bleef rusteloos. Hij wist zich steeds razendsnel in nieuwe materie te verdiepen, maar daarna zette al snel de verveling in. Of stuitte hij op een leidinggevende die hem te weinig ruimte gaf. Pas op zijn dertigste, toen hij voor een managementfunctie een psychologisch onderzoek onderging, kwam Oosterveld erachter dat hij hoogbegaafd is. ‘Ik heb veel vrijheid nodig. Ik zoek zelf mijn toegevoegde waarde. Voor sommige leidinggevenden ben ik te eigenwijs,’ zegt hij nu.

Extra eigenwijs  
Wie een IQ heeft van 130 of meer geldt als hoogbegaafd. Als heel Nederland een IQ-test zou doen, zou het gemiddelde zo rond de honderd liggen. Tweederde van de bevolking scoort tussen de 85 en 115. Maar eenderde zit een flink eind van het gemiddelde af. De helft scoort onder de 85 en de andere helft boven de 115. Zo’n 2,5 procent scoort boven de 130.

Hoogbegaafden zijn intellectueel vaardig, structureel nieuwsgierig, hebben een sterke behoefte aan autonomie, zijn grenzeloos in het najagen van interesses en kenmerken zich door een combinatie van emotionele onzekerheid en intellectuele zelfverzekerdheid.

O. past wel in die opsomming. Hij stelt nuchter: ‘Ik geloof niet dat hoogbegaafd zijn per se een pré is. Het is ook een extra vermogen om eigenwijs te zijn.’ Maar inmiddels is hij zich er wel van bewust dat hij anders denkt dan anderen. ‘Als ik merk dat ik niet begrepen word, zoek ik de oorzaak bij mezelf. Wat vooral lastig is, is om te weten hoeveel tussenstapjes anderen maken om tot een conclusie te komen. Ik maak grote gedachtesprongen in mijn hoofd. Anderen doen dat ook, maar het verschilt hoeveel stappen ze overslaan om bij de uitkomst te komen 

De een heeft talent voor rekenen, de ander voor taal, muziek, kunst of sport. Je zou het kunnen zien als allemaal pijltjes op een dartbord. Zolang dat nog binnen het normale blijft, past het op het bord. Maar exceptionele talenten kunnen op iedere plek van het dartbord afvallen. Dat maakt het ook lastig om elkaar of alleen maar jezelf als hoogbegaafde te herkennen.

‘De helft van de hoogbegaafde volwassenen weet niet of zij hoogbegaafd is’. Als er geen problemen zijn, is er ook geen reden om een intelligentieonderzoek te doen. Bovendien is hoogbegaafdheid deels erfelijk en valt een hoogbegaafd kind in het eigen gezin daardoor minder op. Als het goed gaat op school, een universitaire studie volgt en daarna een baan als wetenschapper, hoeft het zelfs nooit een thema te zijn.

‘Maar er is ook een categorie die uitvalt op school, allerlei baantjes heeft maar nergens echt past. Ze hebben overcapaciteit. Een academisch denkvermogen doet het slecht achter de kassa’. Vooral als de begaafdheid niet aan schoolvakken is gerelateerd, of misschien wel maar de leraar tergend traag door de stof heengaat en de snelle denker voortijdig afhaakt, kan de hoogbegaafdheid onopgemerkt blijven. Het echte probleem blijft dan, ook omdat eerder al het zelfvertrouwen is geschaad. ‘Hoogbegaafden denken sneller, ze denken anders. Vaak worden ze al in hun jeugd raar gevonden. Dat kan een heel laag zelfbeeld geven.’

Ze weet waar ze het over heeft; ze kwam er zelf pas op 41-jarige leeftijd achter dat ze hoogbegaafd was toen haar zoon problemen kreeg op school. ‘Ik ging naar een lezing over hoogbegaafdheid en ineens biggelden de tranen over mijn wangen. Het ging over míj. Ik voelde me altijd al raar, niet begrepen. Ik had last van paniekaanvallen en depressies. Baantjes hield ik nooit langer dan anderhalf jaar vol. Ik heb altijd gedacht dat ik nog eens opgenomen zou worden in een kliniek; ík functioneerde niet in groepen, dat lag aan mij want ík was anders.’

Ze vervelen zich bijvoorbeeld en worden niet genoeg uitgedaagd op hun werk. Of er ontstaan communicatieproblemen doordat ze te grote denkstappen maken. Soms zijn ze ook bedreigend voor hun baas of collega’s, vanwege hun turbo denkvermogen. ‘Het werktempo van hoogbegaafden ligt hoog en daarmee maak je je niet altijd populair onder collega’s.’

‘Overleven in een wereld die niet bij je past kost veel energie. Als je niet begrijpt waarin je anders bent, is het heel vermoeiend’. ‘Je moet voor jezelf weten wanneer je jezelf zodanig aanpast dat je er pijn van in je buik krijgt en wanneer je dat doet om er een bepaald doel mee te bereiken. Je zult handigheid moeten krijgen in het vinden van oplossingen.’

Ze leerde zelf om bij vergaderingen haar inbreng te doseren. ‘Je moet het tempo van de groep bijhouden, en niet over ze heen denderen met al je ideeën. Ik let nu ook op lichaamstaal. Als ik zie dat mijn gesprekspartner een gesloten houding heeft, met armen en benen over elkaar heen, houd ik mijn ideeën voor me. Pas bij een open houding geef ik mijn inbreng.’

Reacties:  
Opmerking over IQ testen. -Er zitten in diverse testen veel vragen waarbij schoolopleidingen en/of vakken een erg grote invloed hebben op de uitslag. Denk bijvoorbeeld aan Latijns waardoor de betekenis van woorden makkelijker wordt. -Hoe vaker je IQ testen doet hoe hoger de score wordt... -iemand met dyslexie komt automatisch op een veel lagere score. -Hoe 'dom' is iemand die een VMBO opleiding heeft gevolgd maar wel in staat is om de meest moeilijke technische problemen op te lossen waar mensen met een HTS opleiding in die richting niet uit komen. -Hoe 'slim' ben je als je een hoog IQ hebt maar geen straatnamen en geen namen van personen kunt onthouden.

De tendens van nogal wat mails lijkt inderdaad nogal negatief. Dat wil denk ik niet meteen zeggen dat iedere hoogbegaafde de wereld zwart ziet of niet met zijn/haar intelligentie overweg kan, maar wel dat ze tegen problemen oplopen. Soms heb je een lange weg te gaan voordat je in de gaten krijgt wat er aan de hand is en hoe je ermee moet omgaan. Als derden beweren dat hoogbegaafden hun intelligentie dan maar beter moeten gebruiken, dan is dat denk ik geen eerlijke reactie. Het hoeft namelijk helemaal niet zo te zijn dat de emotionele vaardigheden met de verstandelijke vermogens in de pas lopen.

Hoogbegaafdheid biedt geen enkele garantie op een lang, gelukkig leven. Maar lieve mede-gezegenden, wat zouden we dan willen? We worden geacht ons talent te benutten, plots te horen "en wat hebben we voor jou in de aanbieding... tatatataah... een Groot Talent. Succes!" In combinatie met de grote emotionele onzekerheid waarmee hoogbegaafdheid vaak hand in hand gaat, ben je al snel een loslopend brein, op wankele pootjes.  Hoe kunnen we verwachten dat ‘zij’ ons begrijpen? Iets wat groter is dan jezelf, kun je per definitie niet bevatten. Ik wist op de lagere school al dat ik slimmer was dan de meester, en lag er wakker van dat hij een advies uit moest brengen over mijn vervolgopleiding. Ik had de hele lagere schooltijd matig gepresteerd en vooral veel uit het raam gekeken. Gelukkig wees een foutloze Citotoets uit dat ik in aanmerking kwam voor het VWO. Als je hoofd je sterke punt is, wil dat nog niet zeggen dat je de rest maar moet laten zitten. Ik vaar op mijn gevoel, en houd mijn hoofd erbij, gelukkig. Laten we niet doen alsof hoogbegaafdheid een nauwelijks te torsen last is; count your blessings.

Ik denk veel te herkennen, al heb ik nooit een IQ test ondergaan. Ik herken de verveling, door geen uitdaging en omdat dingen me te lang duren waardoor ik afdwaal en ook het 'dat heb ik toch net ook al gezegd'. Op school dacht ik altijd lui te zijn doordat ik afdwaalde tijdens de les en ook niet altijd de hoogste cijfers wist te halen. Pas in het laatste jaar van mijn opleiding kwam ik tot het inzicht 'gewoon heel slim' te zijn (niet studeren en het meeste wel halen). Een hele omschakeling welke ook heel schokkend was doordat mijn zelfvertrouwen inmiddels een gevoelige slag had ondergaan. Ik heb inmiddels het gevoel vastgelopen te zijn in mijn baan omdat ik er - gelukkig - achter gekomen ben dat het mij totaal geen uitdaging biedt ('gelukkig' omdat de oorzaak te herkennen me geruststelling biedt). Maar ik heb helaas geen idee welke opleiding/ baan bij mij zou passen om uit deze impasse te komen. Daarbij ben ik ook nog eens hoogsensitief en 'voel' ik de onderlinge frustraties en spanningen steeds.

Ik weet al jaren dat mijn IQ hoog is - 150 ongeveer - maar ik kan er niets mee. Ik heb gestudeerd, voor de klas gestaan, en nu werk ik voor de overheid. Ik heb problemen met mezelf uiten in groepen, maar dat gaat langzaamaan beter, ook door mijn lesgeef-ervaringen. ik heb geleerd hoe ik mensen simpel, in genoeg stappen, dingen kan uitleggen. ik denk schematisch, dat scheelt. Door mijn huidige functie ben ik steeds met nieuwe klussen bezig, waardoor er een uitdaging blijft. Wel heb ik moeite met het afmaken van dat wat er al langer loopt. Maar ik hou niet van losse eindjes, dus zet ik door. Toch wil ik graag eens wat meer weten over mogelijkheden met hoogbegaafdheid, en dan liever op een moment dat ik er niet mee in de knoop zit.

Tja de herkenning...12 banen, 13 ongelukken, het onbegrip, de grenzen waar je bij de meeste anderen tegenaan loopt. Als ik een euro zou krijgen voor elke keer dat ik zei of dacht: "maar dat zei ik toch ook al eerder...", dan kon ik wel stoppen met werken. Het tempo in organisaties is te traag voor mij en de valkuilen die ik maanden van tevoren zie aankomen en waar ik voor waarschuw of een oplossing voor aanreik, daar stort Jan en alleman met open ogen vrolijk in. Om vervolgens heel verbaasd om zich heen te kijken hoe dit nou toch heeft kunnen gebeuren. Mijn gedachtegoed waar anderen vervolgens trots mee aan de haal gaan - al was het zojuist aan hun eigen brein ontsproten... En ook: "Ja je hebt wel vaak gelijk natuurlijk, maar je moet het dan ook nog krijgen

Ik heb na mijn afstuderen gehobbed van baan naar baan en heb soms met tranen in mijn ogen de weg naar de lift gezocht. Het feit dat ik sneller dacht en op een andere manier wilde werken was niet acceptabel voor anderen.

Krijg regelmatig te horen dat ik over gekwalificeerd ben. Al heel lang heb ik het gevoel aan een kaartspel deel te nemen, waar ik spelregels wel van ken maar dat ik toch niet kan kaarten. Als dat hoogbegaafdheid is dan is dat niet iets om blij van te worden.

Kuipers & Van Kempen in Voorburg biedt loopbaanadvies aan hoogbegaafde volwassenen

Extra intelligente mensen aan het werk

Wat is ‘extra’?
De eerste vraag is natuurlijk: wanneer is je intelligentie nu echt zo ‘extra’. Er blijkt immers vaak wel iemand in de omgeving te bestaan, “die nog veel slimmer is”. En er bestaan allerlei beelden over wat IQ is en hoe je dat meet.
Naar onze overtuiging meet een IQ-test niet alleen IQ, maar ook je vermogen om zo’n IQ-test af te leggen. De ervaring leert dat extra intelligente mensen de test niet altijd succesvol afleggen. Ze falen bijvoorbeeld in een volle examenzaal maar kunnen het onder andere omstandigheden opeens wel.
Anderen beginnen niet aan tests, omdat ze het nut ervan niet inzien, of omdat ze de
kans op een ‘lage’ score als te onaangenaam ervaren.

Kan je dit herkennen ?
Omdat extra intelligentie een apart patroon van kwaliteiten met zich meebrengt, kan je ook via een toetsing van de herkenbaarheid van dat patroon tot een plausibele hypothese van wel of niet ‘extra intelligent’ komen.
Vanuit literatuur en onze ervaring hebben wij vijf karakteristieke kwaliteiten benoemd, inclusief een allergie voor het omgekeerde. Indien drie of meer van deze kwaliteiten bij iemand te onderkennen zijn, is dat een aanwijzing dat er van extra intelligentie sprake zou kunnen zijn.

De vijf signalerende kwaliteiten, met enige toelichting, zijn: 

1.    Intellectueel vaardig, kan niet tegen onbegrijpelijke stupiditeiten.
Kan makkelijk complexe problemen hanteren, maar legt ze te compact aan anderen uit, vaak zonder zich dit bewust te zijn. Reageert niet effectief op onbegrip.

2.    Structureel nieuwsgierig, grenzeloze hekel aan dat wat saai of routineus is.
Wil altijd weten wat ergens achter zit. Stelt routine klusjes eindeloos uit of maakt er fouten in.

3.    Behoefte aan autonomie, vecht of maakt zich klein als die wordt aangetast.
Kan goed zelfstandig werken. Een controle gerichte baas of klant leidt snel tot disfunctioneren.

4.    Grenzeloos en mateloos in najagen interesses, moeite met loslaten daarvan of met onbegrijpelijke ongeïnteresseerdheid. Kan zich in een probleem vastbijten. Kan ook teveel energie in de verkeerde dingen stoppen.

5.    Emotionele onzekerheid plus intellectuele zelfverzekerdheid, onhandig of kwetsbaar in de confrontatie met harde zelfverzekerdheid of politiek machtsvertoon. Kan lijden aan faalangst. Is snel geneigd tot betweteren.

Wat wij beogen
Wij richten ons met onze adviezen op mensen die zichzelf, of iemand uit hun omgeving, herkennen in de meeste van de bovenstaande signalerende kwaliteiten. Het
kan zijn dat ze van zichzelf vermoeden of zelfs weten dat ze behoorlijk tot zeer intelligent zijn. De één vindt dat besef belangrijker dan de ander. De meeste mensen lopen er in ieder geval niet mee te koop, uit bescheidenheid of om stigmatisering te vermijden.
De aanduiding ‘hoogbegaafd’ is beladen, en moet bij voorkeur via tests bewezen zijn. Daarom gebruiken wij de term ‘extra intelligent’, afgekort Xi, als een functionele omschrijving van ruim bovengemiddeld denkvermogen.

Onze bijdrage is gericht op twee invalshoeken:
1.      Begrijpelijk te maken hoe ‘extra intelligentie’ op herkenbare wijze van invloed is op het functioneren in een werksituatie en op loopbaanwensen en –mogelijkheden. Besef van de verschillen in benadering van deze onderwerpen leidt tot verheldering van relaties en verwachtingspatronen.
2.      Handvatten te geven hoe op meer effectieve wijze met extra intelligentie
kan worden omgegaan. Onderwerpen zijn meer en minder geschikte taken, rollen en functies, maar ook de hantering van het gevoel ergens niet bij de groep te horen.
Het is onze ervaring, dat het onderwerp meestal bij alle betrokkenen een emotionele lading heeft. Dat
kan een blokkade, of juist de aanleiding zijn om er iets aan te gaan doen. Het is voor ons vanzelfsprekend om dat aspect ook aandacht te geven. 

De training Beter omgaan met hooggevoeligheid

De laatste tijd komen steeds meer boeken uit die gaan over Highly Sensitive Persons, hooggevoeligheid, of ook wel HSP genaamd. De verschijnselen binnen dit scala lijken op burnout, hyperventilatie, overspannenheid. Aron, psychologe, heeft als eerste aangetoond dat er meer aan de hand is. Het lijkt een vlucht te nemen in onze samenleving. Zelf ben ik van mening dat de spirituele ontwikkeling van de mens een aandeel levert aan deze hooggevoeligheid.

Wat is dat nou: hooggevoeligheid?

Hooggevoelige mensen zijn veel gevoeliger dan de meeste mensen. Hun kwaliteit is dat hun zintuigelijke en buitenzintuigelijke waarneming sterker is dan die van anderen. Iedereen heeft een bepaalde gevoeligheid, maar 'Highly Sensitive Persons' (HSP's) kunnen makkelijker problemen ervaren in hun dagelijks leven en hun kontakten omdat ze gevoeliger zijn dan gemiddeld. HSP's ervaren makkelijk subtiele veranderingen in energie, temperatuur, geur, geluid of licht. Ze kunnen meestal niet tegen drukte, harde (valse) muziek, fel licht, extreme kou of hitte en grote menigten. Ze trekken zich vaak terug en voelen zich het veiligst in hun eigen omgeving, omringd door hun eigen energie. Als kind hebben hooggevoelige mensen meestal niet geleerd om met hun emoties om te gaan. Het kan zijn dat ze als kind overspoeld raakten door hun emoties en vaak hebben ze zichzelf destijds een strategie aangeleerd om daar mee om te kunnen gaan. Soms voelen ze juist helemaal niets meer. Of stappen ze heel makkelijk uit hun gevoelsbeleving, maar maken hierdoor minder kontakt met de werkelijkheid of hun omgeving.

Hoogggevoelige mensen voelen emoties van anderen bijna moeiteloos aan. Boosheid, ziekte bij de ander, een slecht humeur, weerstand, een slechte sfeer worden zonder moeite door HSP's geregistreerd. Dat gebeurt op bewust en onbewust niveau. Deze registratie heeft invloed op hun gevoel van lichamelijk en geestelijk welzijn. Hooggevoelige personen zijn nogal eens afhankelijk van anderen als het gaat om hun emotionele conditie. Ze voelen zich goed als de ander zich goed voelt. Voelt de ander zich niet goed dan geldt dat meestal ook voor hen. Ze proberen daarom vaak zoveel mogelijk harmonie te ervaren met hun omgeving. Vaak zijn ze voortdurend bezig het anderen naar de zin te maken. Daarbij kunnen ze veel van zichzelf vergen door hun grenzen te overschrijden of niet assertief te zijn.

Ze reageren vanuit hun rechterhersenhelft op de wereld. Daar zetelt het gevoel. Vaak denken HSP’s juist dat ze heel rationeel zijn. Het tegendeel is het geval: omdat ze vanuit hun sterk ontwikkelde gevoel reageren kan makkelijker stress optreden. Ze hebben manieren ontwikkeld om met stress om te gaan, en zijn in hun hoofd gaan zitten.

Hun autonome zenuwstelsel wordt veel getriggerd. Ze kunnen het gevoel hebben dat ze voortdurend in de vecht- en vluchthouding zijn. Hun lijf kan reageren met stress en vermoeidheid. Ze zetten makkelijke emoties vast, ook die van anderen. Daardoor wordt een aanslag gepleegd op hun lichamelijke welzijn. De energie stroomt niet voldoende, dus stromen emoties niet makkelijk weg. Het is dus belangrijk voor HSP's om verschillende methodes te leren om stress te voorkomen of te reduceren. Dat kan varieren van assertief gedrag aanleren tot meditatie. Ook kunnen ze een nieuwe strategie om zichzelf te beschermen aanleren door zichzelf vragen te stellen: klopt het wat ik nu voel? Helpt het me? Maakt het me rustig dat ik dit denk? Ook kan het helpen dat ze zich bewuster worden van wat er gebeurt, dan krijgen ze meer begrip en mogelijkheden.

HSP's kunnen zichzelf ook makkelijk wegcijferen of zich heel verantwoordelijk voelen voor het verloop van een gebeurtenis of anderen. Ze zijn groot in hun aanpassingsvermogen. Zachtaardig en liefhebbend. Verlegen. Soms voelen ze zich al sinds hun jeugd een buitenbeetje. Vaak werden ze gepest omdat ze anders waren in de ogen van andere kinderen. Maar ook volwassen HSP's kunnen geconfronteerd worden met pestgedrag van anderen om die reden!

Ze voelen vaak dat iets niet klopt, maar kunnen dat dan niet verklaren. Als ze hun reactie baseren op aannames kunnen er problemen ontstaan. Soms willen ze vooral met rust worden gelaten.

Ze kunnen ook een schuldgevoel ontwikkelen, omdat ze zulke hoge eisen aan zichzelf stellen. Ook komt schaamte voor bij HSP's: ze vinden hun eigen emoties en gevoelens niet altijd aanvaardbaar en normaal.

Zichzelf begrenzen is vaak moeilijk, ze identificeren zich makkelijk met anderen. Ze kunnen als strategie ook afstandelijk worden. Al hun strategieen zijn ooit geboren om zichzelf te beschermen!

Ze kunnen zich moe en leeggezogen voelen. Het feit dat ze niet worden geaccepteerd in hun gevoeligheid kan ze heel eenzaam en verdrietig maken. Ook vanuit de reguliere gezondheidszorg is vaak geen acceptatie, waardoor ze vaak het gevoel hebben alles alleen te moeten oplossen.

De samenleving verkeert in de fase van het informatietijdperk en individualisatie. Factoren waar HSP's het erg moeilijk mee kunnen hebben omdat er steeds meer prikkels zijn en ze juist zo'n behoefte aan saamhorigheid hebben! Hun rol zal zich echter steeds meer gaan afbakenen de komende tijd: we gaan van het IK-tijdperk naar het WIJ-tijdperk en ze zullen de adviseurs van dit komende tijdperk worden!

HOOGBEGAAFDHEID

 Definitie

Er is nog veel onduidelijkheid over wat hoogbegaafdheid precies is. Wanneer ben je hoogbegaafd en wanneer 'gewoon' intelligent? Als je intelligent bent, heb je een goed verstand. Als je hoogbegaafd bent, heb je een goed verstand maar vaak ook een speciale manier van denken en handelen. Je denkt en werkt in grotere sprongen dan andere leerlingen. Je bent creatiever in het bedenken van oplossingen en zelfstandiger in je handelen. Het is prettig als de talenten die je in je hebt er ook uitkomen.
Professor F. Mönks geeft een definitie van hoogbegaafdheid die vaak gebruikt wordt. Hij heeft daarvoor het volgende model gemaakt:

 

De cirkels hebben te maken met je persoonlijkheid. De punten van de driehoek met de invloed van je omgeving. Bij hoge intelligentie moet je denken aan een IQ van ongeveer 130 of hoger. Het IQ geeft aan hoe ver iemand boven of beneden het gemiddelde van 100 op een intelligentietest scoort. Zo'n 2 à 3 procent van de bevolking heeft een IQ hoger dan 130. Over wat intelligentie precies is verschillen de meningen. Het woord komt uit het Latijn en is afgeleid van 'inter' (tussen, te midden van) en 'legere' (verzamelen, uitkiezen, lezen). De definities van intelligentie variëren van: 'Intelligentie is dat wat een intelligentietest meet' (Boring) tot 'intelligentie is het vermogen om doelgericht te handelen, rationeel te denken en effectief met de omgeving om te gaan' (Wechsler). Bovendien zijn er verschillende soorten intelligentie. Denk aan technische, praktische, sociale, emotionele intelligentie enz. Bij hoogbegaafdheid gaat het meestal over de zgn. academische intelligentie. Als je hoogbegaafd bent, scoor je doorgaans op alle leergebieden bij de beste 10 procent van je groep. Als je uitblinkt op één bepaald vakgebied spreekt men over het algemeen niet van hoogbegaafdheid. De woorden (hoog)begaafd, zeer begaafd en getalenteerd worden in de literatuur vaak door elkaar en min of meer als synoniem gebruikt.

Het aspect creativiteit slaat op de manier waarop je problemen aanpakt. Je bent vindingrijk, zelfstandig en weetgierig. Het woord motivatie heeft betrekking op je doorzettingsvermogen en wil om je doel te bereiken. Ook het plezier hebben in een bepaalde taak wordt hiermee bedoeld.
Je omgeving speelt een grote rol bij de ontwikkeling van je talenten. Als je in een gezin woont waarin je gesteund en bemoedigd wordt, kan je hoogbegaafdheid zich ontwikkelen. Als je school inspeelt op je bijzondere begaafdheden, kom je vooruit. De reactie van je vrienden op je speciale gaven is ook van invloed. Het is belangrijk contacten met 'gelijken in ontwikkeling' te onderhouden. Als er een positief samenspel is tussen de zes genoemde factoren, heb je grote kans dat de aanleg die je in je hebt eruit komt. Voorwaarde voor een goed samenspel is echter ook je eigen positieve manier van omgaan met anderen (sociale competentie).

Niet-cognitieve persoonlijkheids kenmerken:

- stressbestendigheid
- motivatie om te presteren
- werk- en leerstrategieën
- faalangst
- controle

 

             Begaafdheids-factoren:                                                                   Prestaties:

 Omgevingkenmerken:

- klassenklimaat
- kritische levenservaring
- familieklimaat

Hoogbegaafdheid bestaat in dit ‘multifactorenmodel’ uit 5 onafhankelijke talenten: intellectuele capaciteiten, sociale competentie, psychomotorische vaardigheden, muzikale-artistieke vaardigheden en creativiteit. Op het leveren van goede prestaties zijn eigenschappen als stressbestendigheid, motivatie tot presteren, werk- en leerstrategieën, faalangst en controle eveneens van invloed. Ook je omgeving moet meewerken om je talenten tot volle bloei te laten komen.

Klassenmanagement bij hoogbegaafdheid

Aanpassen van de reguliere leerstof  

Er zijn drie redenen waarom aanpassingen in ons onderwijsaanbod voor hoogbegaafde leerlingen van belang zijn:

Dit alles leidt ertoe dat hoogbegaafde leerlingen veelal gedemotiveerd raken door het reguliere onderwijsaanbod en daardoor afhaken en of gaan onderpresteren.

Hoge intelligentie

Er wordt gesproken van (hoog)begaafdheid als iemand een intelligentiequotiënt (IQ) heeft van 130 of hoger.

Vroege ontwikkeling

(hoog)Begaafde leerlingen zijn geestelijk vroeg rijp en worden gekenmerkt door een ontwikkelingsvoorsprong. Zij kunnen meestal op vroege leeftijd al lezen, praten, schrijven en hebben een vroege ontwikkeling van getalbegrip. Hierdoor kunnen zij zich gemakkelijk leerstof uit hogere leerjaren eigen maken. Ook stellen zij op jonge leeftijd al levensbeschouwelijke vragen en denken zij al vroeg na over de zin van het leven.

Uitblinken meerdere gebieden

Een bijzondere begaafdheid kan tot uitdrukking komen in motorische, sociale, artistieke en intellectuele vaardigheden. Vaak treden deze begaafdheidsvormen gecombineerd op en blinken (hoog)begaafde leerlingen uit in meerdere gebieden, zoals bijvoorbeeld in taal en wiskunde. (hoog)begaafde leerlingen hebben op taalgebied een grote woordenschat en vertonen een zeer goed en adequaat woordgebruik.

 

Gemakkelijk kunnen leren

(hoog)begaafde leerlingen hebben over het algemeen een zeer goed geheugen en kunnen hierdoor goed informatie onthouden en verwerken. Zij begrijpen nieuwe leerstof dan ook aanzienlijk sneller dan gemiddelde leerlingen en zijn daardoor sneller klaar met opdrachten en huiswerk. Hierdoor hebben zij vaak een leertempo dat beduidend hoger is dan het tempo

Abstractie

Goed leggen van (causale) verbanden

(hoog)begaafde leerlingen kunnen gemakkelijk (causale) verbanden leggen en hebben hierover een goed overzicht.

Het makkelijk kunnen analyseren van problemen

(hoog)begaafde leerlingen zijn snelle probleemanalyseerders. Zij kunnen snel vaststellen wat de aard van een probleem is. Daarnaast zijn (hoog)begaafde leerlingen vaak vindingrijk in het ontwikkelen van eigen oplossingsmethoden. Dit kan soms problemen opleveren als zij zich een verkeerde oplossingsmethode hebben aangeleerd, omdat zij deze methode moeilijk weer los kunnen laten.

Het maken van grote denksprongen

Een begaafde leerling maakt grotere leerstappen en heeft daarom minder tijd nodig.

Voorkeur voor abstractie

(hoog)begaafde leerlingen kunnen goed abstract denken. Zij generaliseren gemakkelijker dan hun andere klasgenoten en hebben een goed overzicht van de kennisgehelen. Zij hebben geen behoefte aan concretisering van de lesstof door het gebruik van voorbeelden.

Creatief

Creatief/origineel

In de opdrachten laten (hoog)begaafde leerlingen vaak zien dat zij originele en creatieve ideeën en/of oplossingen hebben. Zij maken onverwachte zijsprongen en hebben grote verbeeldingskracht.

Apart gevoel voor humor

(hoog)begaafde leerlingen bezitten over het algemeen een apart gevoel voor humor.

Zelfstandig

Hoge mate van zelfstandigheid

(hoog)begaafde leerlingen willen liever niet geholpen worden en geven de voorkeur aan zelfstandig werken. Bij het werken in groepsverband vertoont de (hoog)begaafde leerling veel initiatief en neemt vaak de leiding. Bovendien wil de leerling dingen graag op eigen wijze doen, bijvoorbeeld het zelf bedenken van een methode voor rekensommen.

Brede of juist specifieke interesse/hoge motivatie/veel energie

Het is belangrijk dat het onderwerp van de opdracht de leerling interesseert. Bij (hoog)begaafde leerlingen is namelijk het kunnen een voorwaarde, maar het willen van even groot belang. Als het onderwerp aansluit bij de interesse van de leerling, dan is motivatie verzekerd. Er is aangetoond dat talent pas doorzet als de leerlingen plezier beleven aan de (leer)activiteiten. Een kenmerk van (hoog)begaafde leerlingen is dat zij zeer leergierig zijn. Als een onderwerp de leerling interesseert dan pluist hij het onderwerp vaak tot op de bodem uit. Maar het tegenovergestelde geldt ook: als een (hoog)begaafde leerling geen interesse heeft voor een bepaald onderwerp, dan kan hij moeilijk de motivatie opbrengen om zich hierin te verdiepen.

Concentratie

Hoge mate van concentratie

(hoog)begaafde leerlingen kennen een hoge mate van concentratie en hebben daarbij een langere aandachtsspanne dan de gemiddelde leerlingen.

Perfectionistisch

(hoog)begaafde leerlingen zijn perfectionistisch aangelegd. Zij houden niet van half werk.